Kantonrechter Amsterdam 08-05-2003 (De Waal), JAR 2003, 184


Bedrijfsongeval. Verjaring.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 184.

De werknemer is van december 1947 tot oktober 1955 als isoleerder bij de werkgever in dienst geweest. In die tijd werd bij de werkgever met asbest gewerkt. In oktober 1995 is bij de werknemer mesothelioom vastgesteld. In december 1996 is hij aan de gevolgen daarvan overleden. Bij brief van 24 oktober 1995 heeft eiseres, de weduwe van de werknemer, de werkgever aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van blootstelling aan asbest. Bij brief van 12 maart 1996 heeft de werkgever aansprakelijkheid van de hand gewezen en onder meer een beroep gedaan op de verjaringstermijn van 30 jaar van art. 3:310 BW. Nadat de Hoge Raad op 28-04-2000 (Van Hese/De Schelde, RvdW 2000, 118, JOL 2000, 264, NJ 2000, 430, JAR 2000, 122, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 2000, blz. 27) in een andere zaak uitspraak had gedaan over deze verjaringstermijn, heeft eiseres de werkgever wederom aansprakelijk gesteld bij brief van 30 mei 2002. De werkgever heeft haar toen meegedeeld de nadere invulling van de gezichtspunten van de Hoge Raad door het hof af te wachten alvorens zijn standpunt te heroverwegen. Op 3 mei 2000 heeft eiseres onderhavige procedure aanhangig gemaakt. De werkgever stelt onder meer dat de vordering is verjaard omdat deze niet binnen een redelijke termijn is ingesteld. De kantonrechter verwijst naar de door de Hoge Raad in het arrest van 28 april 2000 genoemde gezichtspunten. Ten aanzien van gezichtspunt g, te weten of, na het aan het licht komen van de schade, binnen redelijke termijn een aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden en een vordering tot schadevergoeding is ingesteld, overweegt de kantonrechter dat het antwoord op de vraag wat in een gegeven geval een redelijke termijn is, mede daarvan zal afhangen in hoeverre de aangesproken partij door het verstrijken van die termijn is benadeeld. In onderhavig geval is niet gebleken dat de werkgever in de periode tussen 1996 en 2000 ervan uit mocht gaan dat eiseres in de afwijzing van aansprakelijkheid door de werkgever berustte. Aannemelijk is bovendien dat de werkgever wist dat een beroep op verjaring in gevallen als het onderhavige juridisch niet onomstreden was. Ten aanzien van de tweede periode tussen april 2000 en mei 2002 is van belang dat de werkgever zelf zijn oordeel omtrent de verjaring wilde opschorten tot de uitspraak van het hof gewezen was. Het feit dat eiseres 20 maanden heeft gewacht met het uitbrengen van de dagvaarding kan haar dan niet worden tegengeworpen. Niet gebleken is dat de werkgever is benadeeld door het verloop van de termijn tussen 1995 en 2002. Over de overige gezichtspunten is nadere informatie nodig. De kantonrechter gelast daarom een comparitie.

Terug naar overzicht