Kantonrechter Amsterdam 09-08-1999, JAR 1999, 182 (Van der Meer)


Concurrentiebeding. Functiewijziging.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 182.

De taak van een commercieel (niet statutair) directeur wordt gewijzigd in die zin, dat hij zich uitsluitend toelegt op de verkoop van producten en geen directe invloed meer heeft op het beleid. De werknemer gaat akkoord en verzoekt de werkgever te bevestigen dat het eerder overeengekomen concurrentiebeding niet voor de nieuwe functie geldt. De werkgever wenst de werknemer echter te houden aan het concurrentiebeding. De werknemer ondertekent daarop de aanvullende arbeidsovereenkomst, waarin het concurrentiebeding niet is opgenomen maar waarin vermeld staat dat voor het overige de bestaande overeenkomst van kracht blijft. De werknemer zegt vervolgens zijn dienstverband op om elders in dienst te treden en vordert bij voorlopige voorziening dat de werkgever dit zal gedogen. De werknemer is van mening dat zijn functie destijds zodanig is veranderd dat het concurrentiebeding opnieuw schriftelijk had moeten worden overeengekomen. De kantonrechter is met de werknemer van mening dat het schriftelijkheidsvereiste in het algemeen met zich meebrengt dat de werknemer het op schrift gezette concurrentiebeding rechtstreeks ondertekent. De strekking van die eis is dat de werknemer zich bewust is van de inhoud en de strekking van het beding en het niet overeenkomt door middel van een eenvoudige verwijzing naar een andere tekst. Uit de gevoerde correspondentie blijkt dat de werknemer wist dat de werkgever hem aan het concurrentiebeding wenste te houden. Aangenomen mag worden dat het concurrentiebeding door de schriftelijke vastlegging in de brief van de werkgever en de verwijzing in de nadien ondertekende arbeidsovereenkomst zijn geldigheid bleef behouden. De kantonrechter verwacht echter dat in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat indiensttreding van de werknemer bij de nieuwe werkgever volstrekt geen strijd met het concurrentiebeding oplevert, omdat beide werkgevers verschillende activiteiten uitoefenen. De kantonrechter wijst derhalve de voorlopige voorziening toe.

Terug naar overzicht