Kantonrechter Amsterdam 18-05-2000 (Van der Meer), JAR 2000, 156


Ontslag op staande voet (onverwijldheid). Schorsing (tewerkstelling). Voorlopige voorziening.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 156.

Een bank ontslaat een vestigingsdirecteur, 24 jaar in dienst, op staande voet wegens onregelmatigheden. Op 24 februari 2000 is de werknemer terzake gehoord door het Hoofd Personeelszaken en de ingeschakelde forensische accountants, welke op 5 april 2000 hun rapport uitbrengen, waarna het ontslag op staande voet op 7 april 2000 plaatsvindt. De werknemer vordert bij wege van voorlopige voorziening doorbetaling van loon en tewerkstelling. De kantonrechter overweegt dat de onverwijldheidseis bij ontslag op staande voet meebrengt dat de werkgever niet de vrijheid toekwam om de door haar ingeschakelde onderzoekers zo lang over het onderzoek te laten doen (drie maanden), temeer nu de feiten op 24 februari 2000, toen de werknemer werd gehoord, al voldoende duidelijk waren. Ook de gestelde onregelmatigheden zijn of gedateerd, of niet komen vast te staan, of van onvoldoende gewicht (maar hoogstens onverstandig) afgewogen tegen het langdurige en succesvolle dienstverband. De vordering tot doorbetaling van loon wordt toegewezen evenals de vordering tot wedertewerkstelling en rehabilitatie middels een brief aan het personeel.

Verder lezen
Terug naar overzicht