Kantonrechter Amsterdam 20-12-2000 (Westenberg), JAR 2001, 36


Ontslag op staande voet. Ontbinding gewichtige redenen. Executiegeschil. Aansprakelijkheid werkgever (moederonderneming).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 36.

Drie werknemers waren allen werkzaam voor Tevema. Eén werknemer heeft in 1996 een schadeplichtig ontslag op staande voet gekregen en heeft derhalve nog recht op een vergoeding zoals door de rechter vastgesteld. De twee andere werknemers hebben na ontbinding van hun arbeidsovereenkomsten in 1997 ook een vergoeding toegekend gekregen. In oktober 1997 is Tevema veranderd in Tecrota. Tecrota is april 1998 in staat van faillissement verklaard. De werknemers vorderen betaling van hun vorderingen. Zij stellen dat Tevema daartoe gehouden is op grond van de door haar op 22 februari 1995 gedeponeerde aansprakelijkheidsverklaring ex art. 2:403 lid 1 sub f BW. Tevema voert daartegen aan dat de arbeidsovereenkomsten met de werknemers zijn aangegaan voordat de aansprakelijkheidsverklaring door haar is afgegeven en zijn beëindigd nadat deze verklaring is ingetrokken. Tevema stelt tevens dat de vorderingen van de twee werknemers op grond van de beschikkingen van de kantonrechter niet voortvloeien uit arbeidsovereenkomst omdat een werknemer niet op grond van de arbeidsovereenkomst recht heeft op een vergoeding. Volgens Tevema vloeit de schuld niet voort uit een rechtshandeling, maar uit de beschikking van de kantonrechter. De rechtbank stelt dat het gaat om de vraag of er sprake is van schulden van Tevema waarop de aansprakelijkheidsverklaring betrekking heeft. Het moet dan gaan om schulden uit verbintenissen jegens de drie werknemers die voor Tevema zijn ontstaan op grond van gedragingen - een handelen of nalaten - die in het kader van de arbeidsovereenkomst zijn verricht, voor zover deze gedragingen zijn verricht na deponering van de aansprakelijkheidsverklaring en, in beginsel, voor de publicatie van de intrekking van die verklaring. Volgens de rechtbank vloeien de onderhavige vorderingen voort uit gedragingen van Tevema - welke gedragingen getuigen van slecht werkgeverschap - jegens de drie werknemers verricht na de datum waarop de aansprakelijkheidsverklaring is afgegeven en voordat de intrekking ervan is gepubliceerd. Bij deze overweging laat de rechtbank zich ook leiden door art. 57 lid 1 sub c Vierde EEG-richtlijn, die luidt: "De moederonderneming heeft zich garant verklaard voor de door de dochter aangegane verplichtingen". Het woord "aangegane" duidt erop dat de garantverklaring betrekking heeft op rechtshandelingen - waaronder overeenkomsten - die tot stand zijn gekomen voor bedoelde verklaring. Tevema wordt veroordeeld tot betaling

Terug naar overzicht