Kantonrechter Amsterdam 22-07-1999, JAR 1999, 196 (Westhoff)


Kennelijk onredelijk ontslag. Ziekte. Passende arbeid.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 196.

Een medewerkster algemene dienst bij een cateringbedrijf (salaris NLG 1.416,82 bruto per maand) wordt vier jaar na indiensttreding ziek. Drie jaar later (zij is dan 49 jaar) wordt zij met toestemming van de RDA ontslagen omdat zij in geen enkele functie inzetbaar zou zijn. De werkneemster, die na één jaar ziekte voor minder dan 15% arbeidsongeschikt is verklaard, heeft zich bereid verklaard ander passend werk te verrichten, waarbij zij zo min mogelijk haar linkerarm hoeft te gebruiken. De werkneemster vordert op grond van kennelijk onredelijk ontslag een schadevergoeding, stellende dat het ontslag is gegeven op grond van een valse of voorgewende reden. Bovendien zijn de gevolgen van ontslag te ernstig in verhouding tot het belang van de werkgever. De kantonrechter gaat ervan uit dat de werkneemster geen gelegenheid is geboden passend werk te verrichten. Het standpunt van de werkgever komt erop neer dat voor geen enkele werknemer, werkzaam in een operationele functie, zelfs bij een lichte beperking in het gebruik van de linkerarm passend werk voorhanden is. Dit standpunt is in strijd met de op de werkgever rustende verplichting gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers passend werk aan te bieden en dient te worden verworpen. Op grond van wetgeving, jurisprudentie en de van toepassing zijnde CAO kan de werkgever aan die verplichtingen worden gehouden. Bovendien is het ongeloofwaardig dat in een zeer groot cateringbedrijf geen aangepaste functie te vinden is. Gelet op de zwaarwegendheid van werkgever's verplichting en de ernst van het niet voldoen aan die verplichting, is het ontslag kennelijk onredelijk en de door werkneemster gevorderde schadevergoeding billijk. De kantonrechter veroordeelt de werkgever tot betaling van NLG 18.362,-- bruto, vermeerderd met de wettelijke rente.

Terug naar overzicht