Kantonrechter Amsterdam 30-11-1999 (Van der Meer), JAR 2000, 2


Passende arbeid. Ziekte. Voorlopige voorziening (proefperiode).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 2.

Een schoonmaakster wordt zeven jaar na indiensttreding arbeidsongeschikt voor haar eigen werk. Zij wordt herplaatst in de functie van medewerker textielverzorging (eerst voor twee uur, later voor vier uur per dag). Als de werkneemster zich bereid verklaart haar uren uit te breiden tot zes uur, respectievelijk acht uur per dag, laat de bedrijfsarts op verzoek van de werkgever weten niet akkoord te kunnen gaan met de uitbreiding vanwege de belasting als gevolg van het vele lopen. De restcapaciteit betrof overwegend zittende werkzaamheden. De werkneemster gaat in beroep bij de Commissie van Geneeskundigen. Deze commissie is van oordeel dat de werkneemster in staat moet zijn acht uur per dag te werken, waarvan vijf tot zes uur lopend of staand met onderbrekingen. De werkgever stelt geen zittende werkzaamheden beschikbaar te hebben omdat de reeds bestaande zittende werkzaamheden door andere werknemers worden verricht. Als de revalidatiearts de werkneemster tot zes uur werken per dag in staat acht, vordert de werkneemster bij voorlopige voorziening tewerkstelling voor acht dan wel negen uur per dag. De kantonrechter is van oordeel dat de werkneemster gezien de bevindingen van diverse artsen in beginsel in staat moet zijn meer uren per dag te werken, doch dat de praktijk dit zal leren. Nu de werkneemster bereid is meer uren per dag te werken en de werkgever onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat herverdeling van de zittende werkzaamheden niet gevergd kan worden, acht de kantonrechter de voorlopige voorziening toewijsbaar en wel voor een proefperiode van een half jaar. De kantonrechter veroordeelt de werkgever de werkneemster toe te laten tot haar werkzaamheden gedurende zes uur per dag waarbij tenminste één uur zittend arbeid verricht dient te worden.

Terug naar overzicht