Kantonrechter Arnhem 20-03-2000 (Wefers Bettink), JAR 2000, 138


Ontslag op staande voet. Ontbinding gewichtige reden. Voorlopige voorziening.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 138.

Een 19-jarige verkoopster in een juwelierszaak (drie maanden in dienst, salaris NLG 1.714,-- bruto per vier weken) wordt op staande voet ontslagen wegens het dragen van een tongpiercing. De werkneemster beroept zich op nietigheid van het ontslag, omdat er geen sprake is van een dringende reden en het ontslag niet "onverwijld" is medegedeeld. Zij vordert doorbetaling van loon en tewerkstelling. De werkgever stelt dat de werkneemster weigerde de tongpiercing te verwijderen, nadat hij had uitgelegd dat het dragen van een tongpiercing in zijn bedrijf niet mogelijk was. De kantonrechter heeft begrip voor het standpunt van de werkgever, doch is van oordeel dat noch het dragen van een tongpiercing, noch het weigeren deze te verwijderden, een dringende reden oplevert. Bovendien is de werkneemster pas acht dagen nadat zij daarop is aangesproken, ontslagen. Zo dringend was de reden dus ook weer niet. De kantonrechter wijst de vordering doorbetaling van loon toe en de vordering tewerkstelling af omdat de arbeidsovereenkomst per beschikking van dezelfde datum wordt ontbonden.

Terug naar overzicht