Kantonrechter Arnhem 27-10-2003 (Van Rhijn), JAR 2003, 283


Bedrijfsongeval. Smartengeld.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 283.

Een cellist, sinds 1974 in dienst bij het Gelders Orkest, heeft zijn werkgever aansprakelijk gesteld voor de materiële en immateriële schade die naar zijn zeggen het gevolg is van de geluidsoverlast die hij als cellist tijdens de repetities en concerten heeft ondervonden. De kantonrechter heeft professor Graamans en de heer De Ruiter, directeur van het Koninklijk Conservatorium te Den Haag, om een deskundigenbericht verzocht. Graamans heeft vastgesteld dat de werknemer aan een gehoorbeschadiging lijdt die het gevolg is van het spelen als cellist in een symfonieorkest. De Ruiter heeft verklaard dat het mogelijk is om de werkplek van orkestleden zodanig te organiseren dat het risico van geluidsoverlast, veroorzaakt door de blazers, minder wordt, en dat deze maatregelen ook door orkesten worden getroffen. De kantonrechter oordeelt op basis hiervan dat de gehoorbeschadiging van de werknemer is veroorzaakt door het vanaf 1974 als cellist spelen in het symfonieorkest van de werkgever. Verder is in voldoende mate komen vast te staan dat de werkgever niet naar behoren heeft voldaan aan zijn zorgplicht als bedoeld in art. 7:658 lid 1 BW. Het had op de weg van de werkgever gelegen om ervoor te zorgen dat er meer ruimte ontstond tussen koper/slagwerk/houtblazers enerzijds en strijkersgroepen anderzijds. Het plaatsen van schermen had de strijkers tegen overmatige gehoorbelastingen kunnen helpen. Weliswaar zullen aan het gebruik van oordoppen praktische bezwaren zijn verbonden, maar deze hadden met selectief gebruik aanzienlijk kunnen worden gereduceerd. Aan de werkgever moet worden toegegeven dat eerst betrekkelijk recent in Nederland het risico voor orkestmusici op gehoorschade de belangstelling krijgt die het verdient. Aan de andere kant was het probleem in het buitenland, met name in de Verenigde Staten, al jaren bekend. Ook de werkgever was van de problematiek op de hoogte, zoals blijkt uit het verslag van een gesprek dat de Ondernemingsraad hierover met de directie van de werkgever heeft gevoerd in juni 1995, en uit een brief van april 1990 aan de leden van de "commissie schadelijk geluid". Gezien alle omstandigheden van het geval komt aan de werknemer een vergoeding voor immateriële schade toe van € 3.000,--. Daarbij is van belang dat de werknemer door zijn beroepsziekte niet arbeidsongeschikt is geworden. Materiële schade dient nader te worden opgemaakt bij staat.

Terug naar overzicht