Kantonrechter Brielle 04-07-2000 (Veling), JAR 2000, 169


Provisie. Verjaring.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 169.

Een verzekeringsmaatschappij vordert van een, inmiddels uit dienst zijnde, hypotheekadviseur terugbetaling van (voorschot)provisie in verband met door verzekerden binnen vijf jaar geroyeerde verzekeringen, in welk geval volgens de overeenkomst de provisie, die bij wege van voorschot was betaald, verviel. Het beroep van de werknemer op nietigheid van het provisievervalbeding op grond van art. 7:631 BW (verbod looninhouding) wordt door de kantonrechter verworpen, nu het hier gaat om provisie die, naar achteraf blijkt, ten onrechte als voorschot is betaald. Op grond van art. 7:624 lid 4 BW moet loon, dat afhankelijk is gesteld van enig gegeven dat uit de boekhouding van de werkgever moet blijken, ten minste één maal per jaar worden betaald. Onder het van toepassing zijnde oude art. 7A:1638n lid 2 BW kon van die termijn bij overeenkomst, zoals was gebeurd, worden afgeweken. Blijkens de wetsgeschiedenis is daarbij uitdrukkelijk gedacht aan situaties als de onderhavige. Ook is de terugvordering niet onredelijk, nu de meeste royementen het gevolg zijn van het feit dat de verzekerden geen premie meer betalen en de werkgever er juist alle belang bij heeft, en daar alles aan doet, de verzekeringen in stand te houden. Tenslotte wordt het beroep van de werknemer op rechtsverwerking verworpen al was het alleen maar omdat enkel stilzitten van de werkgever een dergelijk beroep niet rechtvaardigt. De kantonrechter wijst de vordering toe.

Terug naar overzicht