Kantonrechter Deventer 17-04-2003 (Boele), JAR 2003, 131


Bewijs. Schadeloosstelling.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 131.

In het kader van een reorganisatie is de functie van de werknemer bij de werkgever, Arbeidsvoorziening, komen te vervallen. Op initiatief van de werkgever is over de vervolgens ontstane situatie op 25 juni 2001 een gesprek gevoerd tussen de heer H., medewerker P&O van de werkgever, mevrouw H., medewerker van het mobiliteitsbureau, en de werknemer. In dat gesprek is gesproken over beëindiging van de arbeidsovereenkomst onder toepassing van de FPU-regeling. Op 26 juni 2001 heeft de werkgever aan de werknemer bericht dat het op 25 juni 2001 gedane voorstel niet mogelijk was en daarom werd ingetrokken. De werknemer heeft zich op het standpunt gesteld dat door de werkgever een onherroepelijk en onvoorwaardelijk aanbod is gedaan, dat niet ingetrokken kon worden. Dit aanbod zou inhouden dat de werknemer gebruik kon maken van de FPU-regeling. De werkgever zou binnen twee weken na het gesprek een uitgewerkt rekenmodel aan hem toesturen, waarna hij vier weken de tijd zou hebben om zich formeel akkoord te verklaren. Bij voorlopig getuigenverhoor heeft de werknemer de heer H. en mevrouw H. als getuigen laten horen. Deze hebben verklaard dat het door de werknemer genoemde voorstel inderdaad aan hem is gedaan en dat daarbij geen voorbehouden zijn gemaakt over te verlenen toestemming of goedkeuring van de minister of anderen. De werknemer vordert nakoming van de overeenkomst inzake de FPU-regeling. De werkgever betwist dat een overeenkomst tot stand is gekomen. De kantonrechter is van oordeel dat aan de werknemer een aanbod is gedaan als bedoeld in art. 6:217 lid 1 BW. De inhoud van het aanbod is zodanig voldoende bepaald dat, wanneer het wordt geaccepteerd, de overeenkomst tot stand komt. Daaraan doet niet af, aldus de kantonrechter, dat de werkgever het aanbod nader zou uitwerken, aangezien deze uitwerking niet meer inhield dan dat de daarbij behorende bedragen zouden worden uitgerekend. Het aanbod is voorts onherroepelijk gedaan. De werkgever had alleen nog enige tijd nodig om de precieze berekeningen te maken, waarna de werknemer een termijn had om het aanbod te aanvaarden. Indien moet worden aangenomen dat de heer H. het aanbod onbevoegdelijk heeft gedaan, kan dit niet aan de werknemer worden tegengeworpen, nu deze niet van de eventuele onbevoegdheid op de hoogte was en dit ook niet hoefde te zijn. Er is aldus een overeenkomst inzake de FPU-regeling tot stand gekomen, die door de werkgever moet worden uitgevoerd.

Terug naar overzicht