Kantonrechter Dordrecht 25-09-2003 (Van Steenderen), JAR 2003, 248


Bepaalde tijd. Matiging loonvordering. Ontslag op staande voet. Ziekte.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 248.

De werknemer is op 9 oktober 2000 bij de werkgever in dienst getreden als verkoper. De arbeidsovereenkomst is aanvankelijk aangegaan voor een periode van zes maanden en is vervolgens tot twee keer toe verlengd met een periode van één jaar. Bij brief van 22 augustus 2002 heeft de werkgever de werknemer op staande voet ontslagen wegens werkweigering alsmede het hardnekkig weigeren te voldoen aan redelijke bevelen of opdrachten door of namens de werkgever verstrekt. De werknemer stelt dat het ontslag nietig is. Hij maakt aanspraak op doorbetaling van loon. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet nietig is. Naar de mening van de kantonrechter heeft de werkgever geen redelijke bevelen of opdrachten gegeven. Uit de stellingen van partijen en de in het geding gebrachte stukken blijkt dat de werknemer zich op 19 augustus 2002 terecht ziek heeft gemeld. De werknemer mocht toen afgaan op hetgeen de huisarts hem had meegedeeld. Het was niet aan de werkgever om de werknemer geschikt te achten voor in zijn ogen passende arbeid. Zulks had op de weg van de Arbo-arts gelegen, die echter niet is ingeschakeld door de werkgever. Ook het niet ingaan op de uitnodiging tot een gesprek (overigens met kennisgeving van verhindering) kan niet worden beschouwd als het hardnekkig weigeren te voldoen aan een redelijk bevel. Nu het ontslag nietig is, heeft de arbeidsovereenkomst tot 8 april 2003 voortgeduurd en heeft de werknemer recht op doorbetaling van loon tot aan die datum. De hoogte hiervan zal worden gematigd tot 75% van het loonbedrag per maand, omdat gebleken is dat de werknemer elders inkomsten heeft verworven.

Verder lezen
Terug naar overzicht