Kantonrechter Eindhoven 08-10-2001 (Knaapen), JAR 2001, 206


Ontbinding gewichtige redenen (Voorwaardelijke). Ontslag op staande voet. Concurrentiebeding (nevenwerkzaamheden). Schadeloosstelling (geen).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 206.

Een werkgever verzoekt voorwaardelijk, voor het geval het door hem gegeven ontslag op staande voet niet geldig mocht blijken, ontbinding van de arbeidsovereenkomst van een 51- jarige werknemer (negen jaar in dienst, salaris NLG 12.800,-- bruto per maand). Hij stelt daartoe dat hij geen vertrouwen meer in hem heeft doordat hem gebleken is dat de werknemer, zonder dat hij het wist, nevenwerkzaamheden voor een ander bedrijf heeft verricht. Voortdurend blijkt hij over belangrijke kwesties per e-mail met het bedrijf te hebben gecorrespondeerd in werktijd en met gebruikmaking van de computer en andere eigendommen van de werkgever. Hij is zelfs tot statutair directeur van dat bedrijf benoemd tegen een vergoeding van NLG 5.500,-- per maand. De werknemer betwist niet dat hij circa twee uur per dag voor het andere bedrijf werkt, maar stelt voor de werkgever langer dan de overeengekomen tijd te werken. Hij zou geen schade door zijn andere werk lijden. Zijn contract (als hoogste leidinggevende van de werkgever in de Benelux) verbiedt de nevenwerkzaamheden ook niet. De kantonrechter overweegt dat aannemelijk is dat de nevenwerkzaamheden deels beslag leggen op de werktijd, waarvan de werkgever mag aannemen dat de werknemer die 100% voor hem beschikbaar heeft. Dat dit zo is, blijkt uit de tijdstippen van een aantal overgelegde e-mails en volgt ook uit het feit dat effectief werk voor een bedrijf voor een belangrijk deel binnen de kantooruren gedaan zal moeten worden en uit de hoogte van de honorering die de werknemer voor zijn werkzaamheden ontvangt. Verder zal de werknemer zijn aandacht moeten verdelen tussen zijn werk voor de werkgever en het nevenwerk, terwijl de werkgever anders mocht verwachten, mede gelet op het hoge salaris dat werknemer bij hem verdient (NLG 12.800,-- bruto per maand). Voorts heeft de werkgever weinig zicht op het werk van de werknemer en kan hij de precieze omvang van het nevenwerk niet vaststellen. Ten slotte is niet denkbeeldig dat de werknemer ooit in een belangenconflict terechtkomt. Om deze redenen is er voldoende grond voor ontbinding zonder toekenning van een vergoeding

Terug naar overzicht