Kantonrechter Eindhoven 22-08-2002 (Leclercq), JAR 2002, 215


Competentie. Ontbinding gewichtige redenen (Voorwaardelijke). Ontslag op staande voet.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 215.

De werkgever heeft de werknemer op 12 maart 2002 op staande voet ontslagen. De werknemer heeft in kort geding doorbetaling van loon en wedertewerkstelling gevorderd. De werkgever heeft voorwaardelijk ontbinding verzocht en heeft gevraagd de vordering van de werknemer en het ontbindingsverzoek gelijktijdig te behandelen. Dit verzoek is, na bezwaar van de werknemer, afgewezen. De vordering van de werknemer is vervolgens, na de mondelinge behandeling ervan, afgewezen. In de ontbindingsprocedure heeft de werknemer aangevoerd dat de kantonrechter te Eindhoven onbevoegd is om van het ontbindingsverzoek kennis te nemen, omdat hij in België woont en op grond van EG-Verordening 44/2001 de Belgische rechter bevoegd is. De kantonrechter merkt dit beroep op onbevoegdheid van de Nederlandse rechter aan als misbruik van bevoegdheid. In de omstandigheden van dit geval zal, naar het oordeel van de kantonrechter, een honorering van het beroep op onbevoegdheid en het vervolgens aanbrengen van de zaak voor de Belgische rechter vrijwel zeker leiden tot verwijzing van de zaak door de Belgische rechter naar de kantonrechter te Eindhoven, gelet op het bepaalde in art. 28 lid 2 van de EG-Verordening inzake samenhangende vorderingen. Het beroep op de onbevoegdheid is daarom in niemands belang en dient, gelet op het bepaalde in art. 3:13 BW, in dit geval te worden gepasseerd. De werknemer zal, omdat hij dit nog niet heeft gedaan, in de gelegenheid worden gesteld om alsnog inhoudelijk verweer te voeren tegen het voorwaardelijk ontbindingsverzoek. Hiertoe zal een tweede mondelinge behandeling worden bepaald.

Terug naar overzicht