Kantonrechter Eindhoven 23-07-2003 (Roeterdink), JAR 2003, 203


Habe nichts exceptie. Ontbinding gewichtige redenen. Schadeloosstelling.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 203.

De werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst van de werknemer – 52 jaar oud, twee jaar in dienst als bedrijfsleider tegen een salaris van € 4.962,60 per maand inclusief vakantietoeslag – omdat zijn functie als gevolg van reorganisatie is komen te vervallen. De reorganisatie is noodzakelijk, aldus de werkgever, vanwege de economische recessie en de teruglopende bedrijfsresultaten. De werkgever stelt niet in staat te zijn om een ontbindingsvergoeding te betalen. De kantonrechter is, afgaande op de overgelegde cijfers, van oordeel dat er sprake is van een tamelijk dramatisch beeld bij de werkgever. Het ontbindingsverzoek is daarom toewijsbaar. De kantonrechter acht het onvoldoende aannemelijk dat er geen ruimte is om aan de werknemer enige vergoeding te betalen. In dit verband wijst de kantonrechter er op dat de werkgever, om hem moverende redenen, een vordering uit 2002 van € 330.000,-- op een Amerikaanse vestiging niet heeft geïnd en dat zou zijn afgesproken dat hiervan in 2003 slechts € 120.000,-- wordt betaald. Verder betaalt de werkgever een jaarlijkse managementfee van ongeveer € 250.000,-- aan de directeur van de moedermaatschappij. Ook neemt de kantonrechter in aanmerking dat het de werkgever klaarblijkelijk heeft ontbroken aan een lange termijn visie op het gebied van het ondernemingsbeleid, ten gevolge waarvan thans ongeveer 25% van alle werknemers moet afvloeien, terwijl het merendeel van hen nog slechts relatief kort in dienst is. De kantonrechter stelt de C-factor op 0,75 en stelt de werkgever in de gelegenheid de vergoeding – € 20.470,-- – in twee termijnen te betalen. Verder overweegt de kantonrechter dat het niet is uitgesloten dat het in de nabije toekomst financieel en bedrijfseconomisch beter zal gaan met de werkgever. Daarom verbindt de kantonrechter aan de ontbinding de voorwaarde dat de werknemer bij voorrang door de werkgever weer in dienst zal moeten worden genomen indien zich vóór 1 oktober 2004 een vacature voordoet waarvoor hij (desverlangd) in aanmerking komt.

Terug naar overzicht