Kantonrechter Emmen 08-09-1999, JAR 1999, 197 (Lafleur)


Schorsing. RDA-vergunning. Loon. Ziekte. Passende arbeid.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 197.

Een 55-jarige werknemer (29 jaar in dienst, salaris NLG 4.896,-- bruto per maand) wordt op non-actief gesteld, nadat de werkgever te kennen heeft gegeven dat zijn functie komt te vervallen en ontslagvergunning zal worden aangevraagd. De werkgever kan echter geen gebruik maken van de ontslagvergunning omdat de werknemer zich na schorsing ziek heeft gemeld. Uit het rapport van de arbeidsdeskundige in het kader van de WAO-keuring blijkt dat de werknemer arbeidsgeschikt is voor zijn werk. De verzekeringsarts acht de werknemer ook geschikt voor zijn werk doch stelt dat er gezien het conflict met de werkgever sprake is van situationele arbeidsongeschiktheid en dat de werknemer dus niet in staat is zijn werkzaamheden bij de eigen werkgever te hervatten. De werkgever vraagt weer een ontslagvergunning, doch de RDA weigert deze af te geven omdat onvoldoende duidelijk is welke herplaatsingsactiviteiten de werkgever heeft ontwikkeld. De werknemer, die niet in aanmerking komt voor een WAO-uitkering, acht zich gedeeltelijk arbeidsgeschikt en stelt zich gedeeltelijk beschikbaar voor werkzaamheden. De werknemer vordert bij voorlopige voorziening doorbetaling van loon, opheffing van de non-actiefstelling en toelating tot zijn of andere passende werkzaamheden. De werkgever stelt dat tewerkstelling niet mogelijk is omdat de werknemer ziek is voor zijn eigen werkzaamheden. Bovendien is zijn functie vervallen en is er geen passend werk voorhanden. De kantonrechter is van oordeel dat de werknemer zijn standpunt dat hij eerst gedeeltelijk en later geheel arbeidsgeschikt was, niet heeft onderbouwd en dat daarom het oordeel van de verzekeringsarts moet worden gevolgd dat de werknemer arbeidsongeschikt was voor zijn werk bij de werkgever. Deze situatie is volgens de brief van de huisarts inmiddels gewijzigd, zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat de werknemer weer in staat is zijn werkzaamheden bij de werkgever te hervatten. Afgezien van het voornemen de arbeidsovereenkomst te beëindigen, is van enig conflict, dat de oorzaak zou zijn van de situationele arbeidsongeschiktheid, niet gebleken. Als de werkgever de ontslagdreiging zou wegnemen, zou de werknemer goed kunnen blijven functioneren. Nu de werkgever zowel in de RDA-procedure als in deze procedure niet aannemelijk heeft gemaakt dat er geen passend werk is, gaat de kantonrechter ervan uit dat dit wel voorhanden is. De kantonrechter wijst derhalve de loonvordering vanaf de door de huisarts aangegeven hersteldatum toe en gelast de werkgever de non-actiefstelling op te heffen en de werknemer toe te laten tot zijn eigen of alternatieve werkzaamheden.

Verder lezen
Terug naar overzicht