Kantonrechter Enschede 06-06-2003 (Vos), NJ 2003, 533, Prg. 2003, 6082, JAR 2003, 173


Ontbinding gewichtige redenen. Ontslag op staande voet. Schadeloosstelling.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 173.

De werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst van de werknemer – 37 jaar oud, vier jaar in dienst als productiemedewerker tegen een salaris van € 1.321,25 per vier weken exclusief 8% vakantiegeld. De werkgever stelt daartoe dat er tussen partijen verschillen van inzicht bestaan over de wijze van produceren, de haalbaarheid van normen en de algehele werkwijze. De werkgever benadrukt dat de werknemer geen verwijt treft van de ontstane situatie. De werknemer voert aan dat de werkgever weliswaar een vergoeding aanbiedt, maar dat hij niet van plan is om deze ook daadwerkelijk te betalen. De werkgever heeft de werknemer eerder op staande voet ontslagen omdat hij een collega met een aluminium staaf had geslagen. De werknemer voerde toen aan dat de reden hiervoor was dat hij door een andere werknemer werd aangevallen en achterover geduwd. De werkgever heeft vervolgens voorwaardelijk ontbinding verzocht. Tijdens de mondelinge behandeling van dat verzoek heeft de kantonrechter aangegeven dat, zonder nader feitenonderzoek, niet viel uit te maken of sprake was van een dringende reden. Ook heeft de kantonrechter gezegd dat, naar zijn eerste indruk, het er voor de werknemer niet goed uitzag. De zitting is vervolgens geschorst, waarna partijen zowel het voorwaardelijk ontbindingsverzoek als de dagvaarding in kort geding hebben ingetrokken en hebben aangegeven dat er een neutraal ontbindingsverzoek zou komen. De kantonrechter stelt thans vast dat in de uitleg van de werkgever van de tussen partijen gemaakte afspraken er weliswaar een neutrale ontbinding zou komen met een vergoeding, maar dat die vergoeding niet zou worden uitbetaald, maar slechts op papier ten tonele zou worden gevoerd om bij de WW-uitkeringsinstanties geen argwaan te laten ontstaan op het punt van de verwijtbaarheid van de werkloosheid van de werknemer. De kantonrechter acht dit niet acceptabel. De werkgever verzoekt aldus de kantonrechter om een beschikking af te geven die hij op een essentieel onderdeel niet wil uitvoeren, dit teneinde de WW-instanties op het verkeerde been te zetten. De werkgever blijft in feite bij zijn eerdere standpunt dat het ontslag op staande voet geldig is. In dat geval had hij het voorwaardelijk ontbindingsverzoek niet moeten intrekken. Het gaat niet aan om enerzijds een bodemprocedure over het ontslag op staande voet te willen ontlopen en anderzijds geen ontbindingsvergoeding te willen betalen, maar wel zekerheid te willen krijgen over het einde van het dienstverband. Na een tirade van de kantonrechter ter zitting over deze materie heeft de werkgever aangegeven dat het ontbindingsverzoek nog steeds als een voorwaardelijk verzoek kan worden beschouwd. De kantonrechter wijst dit verzoek uiteindelijk toe vanwege de verstoorde verhouding tussen partijen. Daarbij acht de kantonrechter, vanwege de manoeuvres van de werkgever, …

Verder lezen
Terug naar overzicht