Kantonrechter Enschede 17-06-1999, JAR 1999, 139 (De Groot)


Kennelijk onredelijk ontslag.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 139.

Een verkoper met een dienstverband van achtentwintig jaar wordt om bedrijfseconomische redenen met toestemming van de RDA ontslagen. De werknemer acht het ontslag, gezien zijn lange dienstverband en zijn geringe kansen op de arbeidsmarkt, kennelijk onredelijk omdat er geen afvloeiingsregeling is getroffen. Hij vordert een schadevergoeding op basis van de kantonrechtersformule (NLG 142.000,-- bruto). De kantonrechter overweegt dat het enkele ontbreken van een vergoeding het beëindigen van het dienstverband nog niet onredelijk maakt. Een arbeidsovereenkomst bevat niet een "spaarzegelkaart" die aan het einde van het dienstverband kan worden ingeleverd, waarbij voor elk zegeltje een maandsalaris wordt uitgekeerd. Of een ontslag kennelijk onredelijk is dient naar objectieve maatstaven beoordeeld te worden, dat wil zeggen dat voor een ieder duidelijk moet zijn dat dit ontslag onredelijk is. Naast het ontbreken van een vergoeding dienen er bijkomende omstandigheden te zijn en vervolgens moeten de belangen van beide partijen tegen elkaar worden afgewogen. In dit geval weegt het belang van de werkgever zwaarder. Er is sprake van jarenlange afname van de omzet en de winst is tot nul gereduceerd. Bovendien is er vrijwel geen sprake van eigen of vreemd vermogen. Onder deze omstandigheden heeft de werkgever terecht gekozen voor het voortbestaan van zijn onderneming. Nu de werknemer op geen enkele wijze heeft aangetoond dat de financiële situatie van de werkgever rooskleuriger is dan uit de stukken blijkt, zou een vergoeding het voortbestaan alsnog in gevaar brengen en dient de vordering te worden afgewezen.

Terug naar overzicht