Kantonrechter Groenlo 05-07-1999, JAR 1999, 165 (Hillen)


Gelijke behandeling. Deeltijdarbeid. Loon (OR-activiteiten).

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 165.

Een zaterdagbesteller verricht als OR-lid medezeggenschapsactiviteiten buiten de met haar overeengekomen arbeidstijd. De werkgever vergoedt aanvankelijk de extra uren als meeruren conform de CAO (inclusief opbouw vakantie en vakantieuitkering en meetellend bij doorbetaling van loon bij ziekte). Op een zeker moment besluit de werkgever alleen het kale uurloon te vergoeden. De werkneemster gaat niet akkoord en vordert een verklaring voor recht dat zij over de uren die zij besteedt aan medezeggenschapsactiviteiten naast betaling van een vast uurloon ook recht heeft op vakantietoeslag, winstuitkering, vakantie-uren enzovoort. Zij vordert de werkgever te veroordelen tot betaling van NLG 6.453,93 bruto. De werkneemster stelt dat de werkgever door eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden indirect onderscheid maakt op grond van geslacht ex art. 1637y BW (oud) en onderscheid naar arbeidsduur ex art. 7:648 BW. De kantonrechter overweegt dat om te kunnen beoordelen of in het bijzonder vrouwen door de deeltijdregeling worden getroffen, de relatieve cijfers bekeken moeten worden. Van het totaal aantal vrouwelijke medewerkers werkt 91,1% in deeltijd, in tegenstelling tot de mannelijke werknemers waarvan 35,9% in deeltijd werkt. Van de vrouwelijke medezeggenschapsleden werkt 88% in deeltijd en van de mannelijke medezeggenschapsleden werkt 7,1% in deeltijd. Dit betekent dat de werkgever met toepassing van de regeling meer vrouwen treft dan mannen en dus indirect onderscheid maakt. Met betrekking tot de objectieve rechtvaardiging overweegt de kantonrechter dat de doelstellingen van de werkgever (het streven naar onafhankelijkheid van de medezeggenschapsorganen en het bevorderen van deelname van deeltijdwerkers aan de medezeggenschapsorganen) op zichzelf legitiem zijn, maar de gekozen middelen om het doel te bereiken niet. Aangenomen moet worden dat de voltijdwerknemers gelet op art. 17 WOR, voornamelijk in werktijd vergaderen. De stelling dat zij ook vergaderen buiten de normale werktijd is te weinig onderbouwd. Toepassing van de regeling op de werkneemster is derhalve in strijd met art. 1637y BW (oud). Daarnaast stelt de rechter vast dat de werkgever onderscheid naar arbeidsduur (art. 7:648 BW) maakt, dat eveneens niet objectief gerechtvaardigd is. De kantonrechter verklaart voor recht dat de werkneemster over de uren die zij besteedt aan medezeggenschapswerkzaamheden, naast betaling van een vast uurloon, ook recht heeft op vakantietoeslag, winstuitkering, vakantieuren en pensioen.

Terug naar overzicht