Kantonrechter Groenlo 08-03-1999, JAR 1999, 69 (Hillen), Prg. 1999, 5169


Ontbinding gewichtige redenen. Wederzijds goedvinden. Beëindigingsovereenkomst. Schadeloosstelling. Rekest civiel.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 69.

Een werkgever komt met een werkneemster (bijna twee jaar in dienst, salaris NLG 550,-- netto per week) overeen de arbeidsovereenkomst pro forma te ontbinden met een vergoeding van NLG 6.975,-- bruto. De werkgever dient dit verzoek echter niet in, omdat de werkneemster inmiddels een andere baan heeft. De werkneemster vordert doorbetaling van het salaris tot de eerder afgesproken beëindigingsdatum en de overeengekomen ontbindingsvergoeding. De kantonrechter overweegt dat er in de vaststellingsovereenkomst geen voorbehoud is gemaakt voor het geval de werkneemster een nieuwe baan zou aanvaarden voor de overeengekomen beëindigingsdatum. Hoewel de werkgever heeft gesteld dat de werkneemster ten onrechte geen melding heeft gemaakt van het accepteren van een nieuwe baan, heeft hij daar geen rechtsgevolg aan gegeven door zich op de vernietigbaarheid van de vaststellingsovereenkomst te beroepen. Hoe dient de vaststellingsovereenkomst uitgelegd te worden nu er een ontbindingsvergoeding is afgesproken doch geen ontbindingsprocedure is gevoerd. Volgens de kantonrechter wil het aanvaarden van een dienstverband elders niet zeggen dat de oude arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd of dat de werknemer heeft ingestemd met beëindiging. Dat de werkneemster thans geen belang meer heeft bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst staat de aanspraak op een ontbindingsvergoeding niet in de weg, evenmin als het feit dat de werkgever geen ontbinding aanhangig heeft gemaakt. Een andere uitleg van de vaststellingsovereenkomst zou betekenen dat de werkgever eenzijdig de aanspraak op een vergoeding zou kunnen frustreren door geen ontbindingsprocedure te starten. De kantonrechter wijst de vordering toe vermeerderd met de wettelijke rente.

Terug naar overzicht