Kantonrechter Haarlem 02-02-2000 (Patijn), JAR 2000, 69


Proeftijd. CAO. Loon(betaling) (opschorting).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 69.

Een werkneemster treedt per 15 januari 1999 voor één jaar in dienst als passage-employee. Volgens de van toepassing zijnde CAO geldt voor de arbeidsovereenkomst een proeftijd van twee maanden. De werkneemster wordt binnen deze proeftijd ontslagen omdat zij volgens de werkgever niet geschikt zou zijn voor de functie. De werkneemster acht dit ontslag nietig en vordert NLG 25.000,-- smartengeld en doorbetaling van loon vanaf 1 februari 1999. De kantonrechter overweegt dat het van toepassing verklaarde proeftijdbeding rechtsgeldig is. Op grond van art. 7:652 BW kan bij CAO ten nadele van de werknemer worden afgeweken van de wettelijke termijn tot maximaal twee maanden. Het proeftijdbeding is derhalve geldig. De kantonrechter overweegt voorts dat een ontslag in de proeftijd in beginsel altijd geldig is, tenzij de werkgever onder bijzondere omstandigheden in redelijkheid niet tot ontslag had mogen overgaan. Daarvan is in dit geval niet gebleken. Het is aan het beleid van de werkgever te beoordelen of bepaalde persoonlijke eigenschappen bij een bepaalde functie passen. Met betrekking tot het feit dat de werkgever het salaris nog niet heeft voldaan, overweegt de kantonrechter dat de werkgever zich terecht op het opschortingsrecht beroept aangezien de werkneemster nalatig blijft in het inleveren van de zaken van de werkgever. Zodra de werkneemster deze zaken heeft ingeleverd zal de werkgever voor verdere afwikkeling zorg dragen. De kantonrechter wijst de vordering af.

Terug naar overzicht