Kantonrechter Hoorn 18-03-2002 (Van Vollenhoven), JAR 2002, 83


Bepaalde tijd. Onkostenvergoeding. Proeftijd. Studiekosten (terugbetalen).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 83.

Partijen hebben tweemaal een arbeidsovereenkomst gesloten voor de duur van zes maanden. De overeenkomsten bevatten bepalingen over verschuldigheid van kosten van opleiding, training en studiefinanciering. In de tekst van beide overeenkomsten staat telkens een proeftijd van één maand vermeld. Op 28 september 2000 heeft de werknemer het tweede dienstverband opgezegd. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de werknemer een bedrag voor opleidingskosten dient terug te betalen en over de vraag of het proeftijdbeding in de tweede arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is en de werknemer derhalve per direct kon opzeggen of dat dit niet het geval was. De kantonrechter is van oordeel dat, gelet op de inhoud en de formulering van het overeengekomen studiekostenbeding, het om een geldig beding gaat. Er is voorzien in een regeling die de betalingsverplichting doet afnemen naarmate de dienstbetrekking voortduurt, het gaat om door de werkgever voorgeschoten kosten en de directe opeisbaarheid is schriftelijk vastgelegd. De in werktijd genoten cursussen staan los van het doorlopen van het basissalaris. Het verweer van de werknemer dat het om een verkapte boete op het door de werknemer beëindigen van de arbeidsovereenkomst zou gaan, houdt geen stand. De werkgever heeft genoegzaam aangetoond dat de werknemer cursussen heeft genoten van voldoende kwaliteit, welke ook van belang zijn geweest voor de werknemer zelf, zowel binnen het bedrijf van de werkgever als daarbuiten. De in de arbeidsovereenkomst vastgestelde prijs voor de verschillende cursussen is ook niet zodanig hoog dat sprake is van een wanverhouding tussen kosten en het gebodene. Het beroep van de werknemer op de art. 7:631 lid 2 en 7:650 BW wordt dan ook verworpen. De tweede vraag is of de tweede proeftijd rechtsgeldig is overeengekomen. De werkgever heeft niet aangevoerd, althans onvoldoende onderbouwd, dat het niet de bedoeling van partijen was om in de tweede arbeidsovereenkomst een proeftijd overeen te komen. Het is aan de werkgever om de inhoud van de arbeidsovereenkomst te controleren. Het eventuele "laten staan" in de arbeidsovereenkomst van het proeftijdbeding komt voor zijn risico. Aan de werkgever komt dan ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen beroep toe op de nietigheid van het proeftijdbeding, temeer daar het beding in het belang van de werknemer in de wet is opgenomen.

Terug naar overzicht