Kantonrechter Leeuwarden 07-03-2002 (Schulting), JAR 2002, 90


Ontbinding gewichtige redenen. Schadeloosstelling (vooraf overeengekomen afvloeiingsregeling).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 90.

De werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst van de werkneemster - directeur, 45 jaar oud, vier jaar in dienst, salaris van € 5.167,20 per vier weken te vermeerderen met vakantietoeslag en andere emolumenten - op grond van primair een dringende reden (disfunctioneren en misleiding) en subsidiair een wijziging van omstandigheden (te weinig uren, te weinig inzicht etc.). In geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden maakt zij aanspraak op de schadeloosstelling zoals deze is opgenomen in art. 12 van haar arbeidsovereenkomst, ter hoogte van € 260.867,35. Art. 12 houdt in dat de werkneemster aanspraak kan maken op een schadeloosstelling, volgens een bepaalde sleutel te berekenen, indien de werkgever haar dienstverband tussentijds beëindigt, anders dan vanwege een dringende reden. De kantonrechter acht geen dringende reden voor ontbinding aanwezig. De gemaakte verwijten zijn onvoldoende aannemelijk geworden en voor het overige leent de ontbindingsprocedure zich niet voor een onderzoek naar de aanwezigheid van een dringende reden. De rechter acht ontbinding wel noodzakelijk vanwege de verstoorde arbeidsverhouding. Deze verstoring is naar het oordeel van de rechter in hoofdzaak aan de werkgever te wijten. De kantonrechter merkt de regeling in art. 12 niet aan als een vaststellingsovereenkomst maar als een tussen partijen geldende minimumregeling, zij het met een fors karakter. De rechter acht zich niet gebonden aan het beding bij het vaststellen van de vergoeding, maar is van mening dat met het beding wel rekening gehouden moet worden. Nu dat zo is, is er geen reden om van de regeling van art. 12 af te wijken ten nadele van de partij die niet voor de ontbinding gekozen heeft, ook al leidt dat tot een ongebruikelijk hoge vergoeding. Een andere redenering zou ertoe leiden dat de werkgever door te kiezen voor de ontbindingsprocedure, zonder goede grond, een voor hem gunstiger resultaat zou kunnen bereiken dan dat waartoe nakoming van hetgeen tussen partijen is overeengekomen leidt, hetgeen niet redelijk is. De kantonrechter stelt daarom de hoogte van de vergoeding vast overeenkomstig art. 12 van de arbeidsovereenkomst, waarbij hij uitgaat van het door de werkgever opgegeven bedrag (€ 227.465,=).

Verder lezen
Terug naar overzicht