Kantonrechter Lelystad 03-10-2001 (Hoogland), JAR 2001, 226


Ontslag op staande voet. Ziekte. Loon. Goed werkgeverschap. (privacy).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 226.

De Arbo-dienst waarbij de werkgever is aangesloten, heeft bij brief van 3 augustus 2001 aan de werkgever meegedeeld dat de werknemer die dag op haar spreekuur was geweest en dat hij per 7 augustus 2001 weer arbeidsgeschikt zou zijn. Bij brief van 13 augustus 2001 heeft de werkgever de werknemer op staande voet ontslagen. Als reden voor het ontslag heeft de werkgever meegedeeld dat hij met herhaling heeft moeten constateren dat de werknemer onjuiste informatie verstrekt met betrekking tot mogelijke ziekte. Verder zou de werknemer niet op het spreekuur van de Arbo-arts zijn gekomen op 10 augustus zonder opgave van redenen. De werknemer stelt dat het ontslag nietig is en vordert doorbetaling van loon. De kantonrechter stelt vast dat de werkgever informatie bij het ziekenhuis, waar de werknemer zei geweest te zijn, heeft nagetrokken, dat hij heeft getracht in contact te komen met de huisarts van werknemer en dat hij, omdat hij niet geloofde dat de werknemer werkelijk naar zijn huisarts zou gaan, een medewerker laten posten bij diens praktijk. Voorts heeft hij de werknemer dagelijks, soms zelf meermalen, en ook in het weekend, thuis gebeld. De kantonrechter is van oordeel dat het een werkgever niet past om op deze, intimiderende, wijze een werknemer tijdens arbeidsongeschiktheid te controleren. De handelwijze van de werkgever dient aangemerkt te worden als onbetamelijk en een inbreuk op de privacy van de werknemer. Dit klemt temeer waar de controlerende taak wettelijk is opgedragen aan een onafhankelijke derde. Nu de werknemer kennelijk op 7 augustus had aangegeven nog ziek te zijn, had de werkgever moeten volstaan met de (herhaalde) ziekmelding en had hij het verder aan de Arbo-dienst moeten overlaten hoe daarmee om te gaan. Bij gebreke van een hersteldverklaring moet vooralsnog ervan uitgegaan worden dat de werknemer op de ontslagdatum (13 augustus) nog arbeidsongeschikt was. Hieraan doet niet af dat de werknemer op 10 augustus niet op het spreekuur van de Arbo-arts is verschenen. Ter zitting is vast komen te staan dat hij de werkgever nog heeft gebeld dat hij geen vervoer had, doch dat deze hem niet heeft geholpen. Tot slot is gebleken dat de werknemer wel degelijk papieren heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij bij zijn huisarts is geweest. Eén en ander betekent dat de loonvordering van de werknemer toewijsbaar is

Terug naar overzicht