Kantonrechter Maastricht 27-09-2001 (Bruijnzeels), JAR 2001, 207


Ontbinding gewichtige redenen verzoek werknemer. Schadeloosstelling (C=2).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 207.

Een 43-jarige werknemer is in 1992 bij (een rechtsvoorgangster van) de werkgever in dienst getreden als systeembeheerder. In 1999 heeft de werknemer gesolliciteerd naar de vacante functie van ICT Manager. Per 15 april 2000 is hij voor de duur van één jaar in die functie benoemd. Binnen de organisatie van de werkgever is het gebruikelijk om nieuwe kandidaten die worden benoemd in een hogere functie aanvankelijk voor bepaalde tijd in die functie aan te stellen. Eind maart 2001 heeft de werkgever de werknemer laten weten dat hij er nog niet aan toe was om de functie van ICT Manager waar te kunnen maken vanwege (nog) het ontbreken van voldoende leidinggevende vaardigheden. Aan hem is een tijdelijke verlenging van de aanstelling aangeboden, welk aanbod de werknemer heeft afgewezen. De werknemer heeft bezwaar willen maken tegen de beoordeling, doch de werkgever heeft laten weten dat dit niet mogelijk is. De werknemer verzoekt thans ontbinding vanwege verstoring van de arbeidsverhouding. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst. Ten aanzien van toekenning van een eventuele vergoeding overweegt de kantonrechter dat een werkgever die een interne kandidaat tijdelijk benoemt in een andere functie en die diens definitieve benoeming in die functie afhankelijk stelt van diens functioneren, een zware zorgplicht heeft om het functioneren van die werknemer zorgvuldig te begeleiden en vooral ook zorgvuldig te beoordelen. De werkgever is hierin naar het oordeel van de kantonrechter tekortgeschoten. Hij heeft zich niet bediend van een met voldoende waarborgen omklede beoordelings- procedure, terwijl de toepasselijke CAO in dit opzicht nog wel een regeling bevat. De werknemer heeft eerst aan het eind van de tijdelijke aanstelling gedocumenteerd kennis kunnen nemen van het ten aanzien van hem ingenomen standpunt en heeft geen gelegenheid gekregen de juistheid van dit standpunt te laten toetsen. Verder is niet inzichtelijk gemaakt welke activiteiten door de werkgever zijn ondernomen om het functioneren van de werknemer te verbeteren. Eén en ander rechtvaardigt toekenning van een vergoeding met toepassing van correctiefactor 2

Terug naar overzicht