Kantonrechter Maastricht 28-02-2003 (Bruijnzeels), KG 2003, 102


Bepaalde tijd. Ziekte.

Nadat de werkneemster reeds werkzaam was geweest op een aantal aansluitende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd werd met ingang van 1 januari 1999 een nieuwe overeenkomst voor bepaalde tijd aangegaan voor één jaar, welke op 1 januari 2000 werd verlengd voor één jaar en per 1 januari 2001 weer met zes maanden. Op 28 mei 2001 verkreeg de werkgever een ontslagvergunning, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt en vervolgens zijn vanaf 1 juli 2001 weer drie overeenkomsten voor bepaalde tijd gevolgd. Tijdens de laatste wordt de werkneemster ziek en de werkgever deelt mede die, derde, overeenkomst niet te zullen verlengen. De werkneemster stelt zich op het standpunt dat er inmiddels een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan, welk oordeel de kantonrechter deelt. Van de destijds verkregen ontslagvergunning is toen geen gebruik gemaakt en overigens is art. 7:667 lid 4 BW (Ragetlie-regel) niet van toepassing, omdat hier destijds geen sprake was van een overeenkomst voor onbepaalde tijd welke zou hebben kunnen worden opgezegd. Er waren derhalve inmiddels meer dan drie overeenkomsten voor bepaalde tijd op elkaar gevolgd, zodat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd was ontstaan. Het subsidiaire verweer tegen de loonvordering, dat de werkneemster tijdens ziekte onbereikbaar zou zijn geweest voor de werkgever en de Arbo-dienst, wordt verworpen, nu de werkgever en de Arbo-dienst uit zijn gegaan van een onjuist telefoonnummer.

Terug naar overzicht