Kantonrechter Middelburg 08-11-1999, JAR 1999, 268 (Kool)


Wederzijds goedvinden (ontslagname). Bewijs.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 268.

Een werknemer die bijna één jaar als sjouwer in dienst is (salaris NLG 3.022,-- bruto per vier weken) informeert telefonisch naar de loonbetaling en zou tijdens dit gesprek ontslag hebben genomen. De werkgever bevestigt schriftelijk het ontslag. De werknemer maakt bezwaar, stellende niet om ontslag te hebben verzocht en vordert doorbetaling van loon vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. De kantonrechter overweegt dat vrijwillige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werknemer zulke verstrekkende gevolgen heeft, dat de werkgever dit niet al te snel mag aannemen. Daarvoor is een duidelijke en ondubbelzinnige op beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerichte wilsverklaring vereist. De door de werknemer geuite woorden "Als jullie mij niet betalen, stuur dan de ontslagpapieren maar op" of woorden van gelijke strekking zijn niet zonder meer aan te merken als een dergelijke wilsverklaring. Dit is afhankelijk van de bijkomende omstandigheden, die de werkgever dient te bewijzen. Ook indien de werknemer zich in andere bewoordingen heeft uitgedrukt die duidelijk en ondubbelzinnig gericht zijn op beëindiging van de arbeidsovereenkomst, dient de werkgever dit te bewijzen. Met betrekking tot de vraag in hoeverre op de werkgever een onderzoeksplicht rust ter zake van de werkelijke bedoeling van de gedraging van de werknemer, overweegt de kantonrechter dat deze afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Het is aan de werkgever te bewijzen dat hij aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan. De kantonrechter verwijst de zaak naar de rolzitting en houdt iedere verdere beslissing aan.

Terug naar overzicht