Kantonrechter Nijmegen 08-12-2000 (Weusten), 09-02-2001 (Zwijnenburg), NJ 2001, 244, JAR 2001, 61


Ontbinding gewichtige redenen. (geen) goed werkgeverschap. Schadeloosstelling (factor A); ontbinding gewichtige redenen verzoek werknemer; smartengeld.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 61.

Een werkneemster (45 jaar oud) is op 1 januari 1999 bij de werkgever in dienst getreden in de functie van groepshoofd OK bij de afdeling Thorax/Hart tegen een salaris van NLG 6.179,-- bruto per maand. Eind 1999 is een conflict ontstaan tussen haar en de operatie-assistenten waaraan zij leiding gaf. De werkgever heeft de werkneemster daarop op non-actief gesteld en heeft een onderzoek ingesteld. Daaruit bleek dat de werkneemster geen verwijt gemaakt kon worden. De werkgever heeft vervolgens echter ontbinding van de arbeidsovereenkomst van de werkneemster verzocht omdat terugkeer op de werkplek vanwege het conflict niet mogelijk zou zijn en de werkneemster niet over andere functies wilde praten. De kantonrechter is van oordeel dat de werkgever onzorgvuldig heeft gehandeld jegens de werkneemster. De werkneemster was aangesteld om de problemen op de afdeling aan te pakken, doch heeft hierbij geheel geen steun gekregen van de werkgever. De werkgever is niet voortvarend opgetreden bij het onderzoek naar de problemen op de afdeling en heeft de werkneemster ten onrechte op non-actief gesteld en met ontslag bedreigd. Tot slot heeft de werkgever niet de zijde van de werkneemster gekozen toen bleek dat de haar door de operatieassistenten gemaakte verwijten onjuist waren. Eén en ander brengt met zich dat bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst aan de werkneemster een vergoeding van NLG 173.000,-- toekomt. De werkgever heeft vervolgens het ontbindingsverzoek ingetrokken, maar heeft de werkneemster niet meer tot het werk toegelaten. Daarop heeft de werkneemster ontbinding verzocht. De kantonrechter wijst het verzoek toe, onder toekenning aan de werkneemster van een vergoeding van NLG 150.000,-- bruto en NLG 25.000,-- ter zake van immateriële schade. Daartoe overweegt de kantonrechter dat een vergoeding op basis van de kantonrechtersformule tot een relatief laag bedrag zou leiden als gevolg van het korte dienstverband. Dit acht de rechter niet redelijk vanwege het feit dat de werkneemster een 15-jarig dienstverband beëindigde om bij de werkgever in dienst te treden, op grond waarvan de kantonrechter deze diensttijd meetelt. Daarom dient de vergoeding vastgesteld te worden aan de hand van de normen van redelijkheid en billijkheid

Terug naar overzicht