Kantonrechter Rotterdam 04-06-2002 (Kuip), JAR 2002, 183


Bedrijfsongeval (scheepvaart).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 183.

De werknemer, matroos, is een ongeval overkomen tijdens het afmeren van het schip waarop hij werkte. De werknemer diende het achterschip met de achtertros vast te leggen. Daarbij is de achtertros losgeschoten en met kracht tegen de pols van de werknemer gekomen. Deze heeft een ernstige kwetsuur opgelopen en is vooralsnog volledig arbeidsongeschikt. Hij stelt zijn werkgever aansprakelijk voor de door hem geleden en nog te lijden schade. De werkgever stelt dat de werknemer moet bewijzen dat de werkgever is tekortgeschoten in zijn verplichtingen, nu art. 7:658 BW met zijn afwijkende verdeling van stelplicht en bewijslast niet van toepassing is op ongevallen aan boord van een schip. Voorts betwist de werkgever dat hij is tekortgeschoten. De kantonrechter stelt vast dat de werknemer zijn vordering heeft gebaseerd op art. 7:611 BW en art. 6:74 BW. Deze grondslag is naar het oordeel van de rechter toereikend om de vordering te kunnen dragen. Daarbij is van belang dat ingevolge art. 450b WvK art. 7:658 BW geen toepassing vindt ten aanzien van de dienst van de schepeling aan boord van een schip. De achtergrond hiervan is dat art. 450b WvK, anders dan art. 1638x BW (oud), niet is gewijzigd ten tijde van de intrekking van de Ongevallenwet in 1967. Niet blijkt dat de wetgever zich ervan rekenschap heeft gegeven dat daardoor een verschil in rechtspositie is ontstaan tussen schepelingen en werknemers aan land. Evenmin blijkt dat de wetgever aan schepelingen minder bescherming heeft willen geven. In dit opzicht is onder meer van belang dat art. 7:658 BW wel van toepassing is indien een bemanningslid van een binnenschip een ongeval overkomt en dat, blijkens art. 2 Arbo-wet, deze wet ook van toepassing is op arbeid die wordt verricht op zeeschepen. Dit alles brengt mee dat de aansprakelijkheid van de werkgever moet worden beoordeeld op een wijze die overeenkomt met de norm van art. 7:658 BW, met inbegrip van de daarin besloten liggende regels van stelplicht en bewijslast. Dit leidt tot de conclusie dat de werkgever onvoldoende heeft aangetoond dat hij zijn zorgplicht ten aanzien van het voorkomen van het ongeval van de matroos is nagekomen. Nu niet is gebleken dat het ongeval ook had plaatsgevonden als de werkgever zijn zorgplicht wel was nagekomen, is hij aansprakelijk voor de schade van de werknemer.

Terug naar overzicht