Kantonrechter Rotterdam 10-06-1999, JAR 1999, 186 (Van der Wind)


Schadeloosstelling (sociaal plan). Outplacement. Goed werkgeverschap.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 186.

De arbeidsplaats van een werknemer met een dienstverband van bijna 28 jaar, salaris NLG 7.350,-- bruto per maand, komt als gevolg van een fusie te vervallen. Met de vakverenigingen is een sociaal plan opgesteld op grond waarvan de werknemer kan kiezen aanspraak te maken op deelname aan een werk-voor-werkproject of op een vertrekpremie. De werknemer gaat akkoord met uitdiensttreding en kiest voor het werk-voor-werkproject onder het voorbehoud dat hij op grond van de hardheidsclausule in aanmerking komt voor een beëindigingsvergoeding, die gerelateerd is aan de kantonrechtersformule. De werkgever stelt dat de hardheidsclausule niet van toepassing is en de werknemer vordert na indiensttreding bij het werk-voor-werkproject een beëindigingsvergoeding. De kantonrechter stelt dat de werknemer gebonden is aan de CAO waarin de werkgever en de vertegenwoordigers van de werknemers (waaronder de werknemer) het sociaal plan hebben vormgegeven. De vraag is of toepassing van het sociaal plan de toets der kritiek kan doorstaan. Dat is in dit geval zo. In de voorwaarden met betrekking tot de vrijwillige vertrekregeling staat dat de vertrekpremie niet wordt toegekend als het dienstverband wordt beëindigd bij deelname aan het werk-voor-werkproject. Een beroep op de hardheidsclausule staat in dit geval niet open omdat deze geldt voor onredelijke individuele gevallen. Uit de correspondentie blijkt dat de werknemer een weloverwogen keuze heeft gemaakt voor het werk-voor-werkproject en dus geen aanspraak heeft op een vergoeding. De kantonrechter wijst de vordering af en veroordeelt de werknemer in de proceskosten.

Terug naar overzicht