Kantonrechter Rotterdam 19-09-2003 (Wetzels), JAR 2003, 235


Concurrentiebeding. Uitzendarbeid.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 235.

De werknemer is met ingang van 14 april 1997 voor de duur van één jaar bij de werkgever in dienst getreden. Tussen partijen is een concurrentiebeding overeengekomen dat de werknemer verbiedt om tijdens de dienstbetrekking en gedurende vijf jaar na afloop ervan hetzelfde of gelijksoortig werk te verrichten als hij tijdens het dienstverband doet/deed, voor een werkgever die een opdrachtgever van de werkgever is of is geweest. De arbeidsovereenkomst is stilzwijgend verlengd. De werknemer is vanaf januari 1998 tot aan heden gedetacheerd bij de gemeente Rotterdam. De werknemer wenst zich als zelfstandig taxateur te vestigen. De werkgever heeft gesteld dat hij daarbij wel is gebonden aan het concurrentiebeding. Daarop heeft de werknemer in kort geding vernietiging dan wel schorsing van het concurrentiebeding gevorderd. De kantonrechter verwerpt het argument van de werknemer dat het relatiebeding in strijd is met het belemmeringsverbod zoals dat destijds in de Arbeidsvoorzieningswet (Avw) was opgenomen, nu hij werkzaam is op basis van een detacheringsovereenkomst. Het belemmeringsverbod is in de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi) niet teruggekeerd vanuit de gedachte dat partijen reeds voldoende beschermd waren tegen onredelijke bedingen. Uit de rechtspraak blijkt dat een concurrentieof relatiebeding met een gedetacheerde werknemer onder vigeur van de Waadi in beginsel gewoon geldig is en dat getoetst moet worden, aan de hand van een belangenafweging, of het beding in een specifiek geval wellicht onredelijk bezwarend is. Een dergelijke toetsing is in onderhavig geval temeer op zijn plaats, nu de werknemer reeds sinds 1998 bij dezelfde opdrachtgever is gedetacheerd en niet valt in te zien waarom hij meer bescherming zou moeten krijgen tegen een concurrentiebeding dan collega's die niet gedetacheerd zijn. De kantonrechter wijst ook de andere stellingen van de werknemer van de hand. Onvoldoende is gebleken dat partijen, na het aflopen van de eerste arbeidsovereenkomst, andere arbeidsvoorwaarden zijn overeengekomen en dat de werkgever afstand heeft gedaan van het relatiebeding. Ook is niet aannemelijk dat het beding zwaarder is gaan drukken, nu bij indiensttreding reeds voorzien was dat de werknemer als taxateur zou gaan werken. De werknemer heeft verder onvoldoende toegelicht in hoeverre hij zijn positie zou kunnen verbeteren door als zelfstandige te gaan werken. De vordering tot vernietiging dan wel schorsing van het relatiebeding wordt dan ook afgewezen. Wel matigt de kantonrechter de duur ervan tot één jaar in plaats van vijf jaar.

Terug naar overzicht