Kantonrechter Rotterdam 27-11-2002 (Los), JAR 2003, 6


Loon. Ongewenste intimiteiten. Ziekte.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 6.

De werkneemster is op 17 mei 2002 bij de werkgever in dienst getreden voor de duur van zes maanden als telefoniste/administratief medewerkster. Op 17 juni 2002 heeft zij zich ziek gemeld. Op 2 juli en 4 juli 2002 is zij niet verschenen op het spreekuur van de Arbo-dienst. De werkgever heeft daarop de loonbetaling stopgezet. Bij brief van 25 juli 2002 heeft de Arbo-arts de werkgever geschreven dat hij de werkneemster niet meer arbeidsongeschikt achtte op medische gronden, doch haar niet in staat achtte om haar werkzaamheden binnen de organisatie te hervatten. Bij brieven van 9 augustus en 11 september 2002 van de gemachtigde van de werkneemster heeft deze geschreven dat de werkneemster herhaaldelijk seksueel is geïntimideerd door de directeur van de werkgever. De werkneemster heeft een second opinion gevraagd bij het UWV. Ook daarin wordt aangegeven dat de werkneemster medisch gezien niet ongeschikt is om haar werkzaamheden te verrichten, maar dit niettemin niet kan wegens de seksuele intimidatie. De werkneemster vordert bij wege van voorlopige voorziening doorbetaling van loon. De kantonrechter stelt vast dat, gelet op de mening van de Arbo-arts en de arts van het UWV, de werkneemster niet meer arbeidsongeschikt was op medische gronden. Daarom mag voorshands niet worden aangenomen dat zij niet in staat was haar werkzaamheden te verrichten. Art. 7:629 lid 1 BW kan daarom geen toepassing vinden. Beide artsen spreken evenwel van "ongeschikt" voor het werk in plaats van ziek. Hoewel strikt genomen de beoordeling van een dergelijke ongeschiktheid niet aan de artsen is, kan hun standpunt wel betekenis hebben voor de toepassing van art. 7:628 lid 1 BW. Beide artsen hechten geloof aan de mededelingen van de werkneemster over de seksuele intimidatie. Verwacht mag worden dat zij dit, als zij als getuigen zouden worden opgeroepen, zouden bevestigen. Het komt de kantonrechter daarom waarschijnlijk voor dat de werkneemster in een bodemprocedure in het gelijk zou worden gesteld. Haar loonvordering is daarom toewijsbaar.

Terug naar overzicht