Kantonrechter Rotterdam 28-08-2003 (Wetzels), JAR 2003, 252


Goed werkgeverschap. Ontbinding gewichtige redenen verzoek werknemer. Schadeloosstelling.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 252.

De werkneemster, 63 jaar oud, werkt sinds 1 juni 1985 bij de werkgever als advocaat-medewerker (salaris € 3.600,-- bruto per maand). Naast de werkneemster waren er bij de werkgever nog een secretaresse en een schoonmaakster in dienst. Eind maart 2003 heeft de werkgever zijn kantoorpand verkocht aan een ander advocatenkantoor. In dat verband is afgesproken, zonder dat de werkneemster daarbij betrokken was, dat zij haar werkzaamheden niet meer mocht verrichten in het kantoorpand. De werkgever heeft vervolgens alle juridische abonnementen opgezegd, alle dossiers en de kantooradministratie verwijderd en zichzelf als advocaat en procureur van het tableau laten schrappen. Tevens heeft hij, zonder overleg, alle lopende dossiers van de werkneemster overgedragen aan het advocatenkantoor dat zijn pand gekocht heeft. De werkneemster stelt dat zij ernstig benadeeld is door deze gang van zaken omdat zij nu feitelijk gedwongen is haar werkzaamheden te staken, en omdat het, gezien haar leeftijd, financieel niet meer mogelijk is een eigen praktijk op te bouwen. Zij stelt dat zij ook na haar 65e had willen blijven doorwerken omdat zij anders alleen AOW ontvangt, mede omdat de werkgever vanaf 1998 de overeengekomen pensioenpremie niet meer heeft betaald. Zij verzoekt ontbinding met toekenning van een vergoeding van € 130.000,-- (C=1). De kantonrechter constateert dat de werkgever een zwaar verwijt valt te maken van de thans onontkoombaar geworden ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De werkgever heeft zijn pand verkocht en zijn werk gestaakt zonder dat hij zich daarbij ook maar in enigerlei mate bekommerd heeft over de consequenties voor de werkneemster. Vervolgens heeft hij haar dossiers overgedragen zonder haar daarover te informeren. Concrete voorstellen om tot een oplossing van de aldus veroorzaakte problemen te komen, heeft hij niet gedaan. De kantonrechter acht het aannemelijk dat de werkneemster na haar 65e doorgewerkt zou hebben, nu dit niet ongebruikelijk is in de advocatuur en bovendien een deugdelijke pensioenvoorziening ontbreekt. De kantonrechter ziet daarom geen reden om de ontbindingsvergoeding te maximeren op de verwachte inkomensderving tot aan de pensioengerechtigde leeftijd, maar zal een vergoeding toekennen gebaseerd op de inkomensschade tot aan het bereiken van de 67-jarige leeftijd. De kantonrechter berekent deze schade, afgerond, op € 87.000,-- bruto.

Terug naar overzicht