Kantonrechter 's-Gravenhage 06-12-2001 (Lippmann), Prg. 2002, 5803


Voorlopige voorziening. Wederzijds goedvinden.

Een werkgever bevestigt na twee gesprekken met de werknemer (verkoper, een jaar in dienst, salaris NLG 3.900,-- bruto per maand) dat de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werknemer is beëindigd. De werknemer laat weten niet akkoord te gaan, stellende dat hij niet heeft ingestemd met de beëindiging maar dat hij is weggestuurd en later is teruggekomen om zijn persoonlijke bezittingen op te halen en om een ontslagbrief te vragen. De werknemer vordert bij voorlopige voorziening tewerkstelling en doorbetaling van loon vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. De kantonrechter stelt dat een voorlopige voorzieningsprocedure zich niet leent voor een getuigenverhoor, zodat aan de werkgever geen bewijs kan worden opgedragen omtrent de inhoud van de gesprekken. Aangezien de behandeling van het voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst binnenkort plaatsvindt, acht de kantonrechter tewerkstelling niet redelijk en zinvol. De vordering loondoorbetaling wordt wel toegewezen vermeerderd met de wettelijke verhoging van 10% maar zonder wettelijke rente.

Terug naar overzicht