Kantonrechter 's-Gravenhage 23-07-2003 (Van Zaltbommel), JAR 2003, 214


Ontbinding gewichtige redenen. Schadeloosstelling.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 214.

Als gevolg van reorganisatie is de functie van de werknemer komen te vervallen. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden per 1 september 2002 onder toekenning aan de werknemer van een vergoeding van € 397.549,58. Op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst is het bij de werkgever geldende sociaal plan van toepassing. In art. 4.5 van dit sociaal plan is bepaald dat alle werknemers tussen de 50 en de 60 jaar bij ontslag een bepaalde vergoeding zullen ontvangen die wordt berekend aan de hand van de hoogte van het salaris en het aantal jaren tot het 60e levensjaar, en die wordt begrensd door de premiegrens voor de werknemersverzekeringen. Wettelijke en voorzienbare uitkeringen worden van de vergoeding afgetrokken. De werkgever stelt dat uit dit artikel volgt dat een werknemer alleen dan aanspraak kan maken op een beëindigingsvergoeding als bedoeld in dit artikel wanneer de werknemer een uitkering ontvangt op grond van één van de wetten genoemd in art. 4.2 van het sociaal plan. Omdat de werknemer, voorafgaand aan het dienstverband met de werkgever, gedurende langere tijd in het buitenland heeft gewerkt, heeft hij nauwelijks sociale voorzieningen in Nederland opgebouwd. Dat zou naar het oordeel van de werkgever betekenen dat de werknemer vrijwel geen beëindigingsvergoeding zou ontvangen. Dit achtte de werkgever ongewenst, reden waarom hij het bedrag van € 397.549,38 heeft betaald. De werknemer stelt echter dat het ontvangen van een uitkering geen voorwaarde is voor de toepassing van art. 4.5 van het sociaal plan en dat de werkgever € 62.257,28 te weinig heeft betaald. Partijen leggen de kwestie op grond van art. 96 Rv voor aan de kantonrechter. De kantonrechter acht de uitleg van de werknemer juist. Uit art. 4.5 van het sociaal plan volgt dat een eenmalige vergoeding wordt uitgekeerd. In het artikel wordt niet aangehaakt bij de duur van een uitkering. De vergoeding kan daarom niet worden gezien als suppletieregeling. Daarbij is het recht op suppletie immers gekoppeld aan de daadwerkelijke ontvangst van een uitkering en houdt dit recht op wanneer de aanspraak op een uitkering ophoudt. Art. 4.5 bepaalt niets over een eventueel te ontvangen uitkering, maar vermeldt slechts dat van de hoofdsom de wettelijke en voorzienbare uitkeringen worden afgetrokken. Uit andere artikelen van het sociaal plan volgt evenmin dat art. 4.5 als een suppletieregeling moet worden aangemerkt. Wellicht was dit de bedoeling van de werkgever en de OR, maar dit is niet in duidelijke bewoordingen aangegeven. Op de vergoeding van art. 4.5 mogen daarom geen fictieve uitkeringen in mindering worden gebracht. Een en ander betekent…

Terug naar overzicht