Kantonrechter 's-Gravenhage 29-04-2003 (Wiarda), JAR 2003, 133


Goed werkgeverschap. Ontbinding gewichtige redenen. Ontbinding gewichtige redenen verzoek werknemer. Schadeloosstelling.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 133.

De werkgever heeft ontbinding verzocht van de arbeidsovereenkomst van de werkneemster, 25 jaar, ruim vijf jaar in dienst, salaris € 1.707,73 per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag en eindejaarsuitkering. De werkgever heeft daartoe aangevoerd dat het functioneren van de werkneemster tekortschiet. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden onder toekenning van een vergoeding van € 14.000,-- aan de werkneemster (C=1,5). Daarop heeft de werkgever het ontbindingsverzoek ingetrokken. Thans verzoekt de werkneemster ontbinding. Zij voert daartoe aan dat de arbeidsverhouding onherstelbaar is verstoord en dat de werkgever niet de intentie heeft gehad om haar, na de intrekking van het ontbindingsverzoek, weer tot het werk toe te laten. De werkgever erkent dit. Hij wilde aanvankelijk een nieuw ontbindingsverzoek indienen, maar heeft nu besloten een ontslagvergunning aan te vragen bij het CWI. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst omdat samenwerking tussen partijen niet meer mogelijk moet worden geacht. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn beide partijen niet geheel vrij te pleiten van de verstoring van de arbeidsrelatie. De werkneemster treft echter niet in overwegende mate een verwijt, nu de werkgever heeft nagelaten zijn kritiek te onderbouwen door functioneringsgesprekken en/of schriftelijke waarschuwingen. Het feit dat de werkgever nimmer het voornemen heeft gehad de werkneemster het werk te laten hervatten en het ontbindingsverzoek slechts heeft ingetrokken om een lagere vergoeding te bewerkstelligen, getuigt in de ogen van de kantonrechter niet van goed werkgeverschap en is een handelwijze die niet beloond behoort te worden. De eerder toegekende vergoeding van € 14.000,-- is, gezien al deze omstandigheden, billijk. Daarnaast dient de werkgever de reëel gemaakte kosten van rechtsbijstand van € 2.750,-- van de werkneemster te vergoeden, nu de werkgever door de intrekking van het eerdere verzoek de werkneemster heeft genoodzaakt tot het indienen van onderhavig verzoek.

Terug naar overzicht