Kantonrechter 's-Hertogenbosch 23-02-2000 (Cremers), JAR 2000, 127


Ontbinding gewichtige redenen verzoek werknemer. Ziekte. Schadeloosstelling.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 127.

Een 56-jarige arbeidsongeschikte werknemer (bijna 11 jaar in dienst bij een schoonmaakbedrijf, salaris NLG 3.106,65 bruto per maand) verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst omdat hij niet meer verwacht terug te zullen keren bij de werkgever, die geen passend werk voor hem heeft. De werknemer stelt dat hij destijds arbeidsongeschikt is geworden op grond van rugklachten door het zware werk. Nadat hij voor 50% weer begonnen was, is de werknemer definitief uitgevallen als gevolg van hartklachten en complicaties ten gevolge van een hartoperaties. De werknemer verzoekt een vergoeding van NLG 55.000,--. De werkgever ontkent het causale verband tussen de huidige arbeidsongeschiktheid en de werkomstandigheden. De kantonrechter overweegt dat aannemelijk is dat als de werknemer geen last van hartklachten zou hebben gekregen, hij na verloop van tijd weer voor de werkgever had kunnen werken. Een causaal verband tussen de schade als gevolg van de arbeidsongeschiktheid en de rugklachten ligt dan ook niet zonder meer voor de hand. Evenmin is aannemelijk geworden dat er een causaal verband bestaat tussen de werkomstandigheden en de hartklachten. Hoewel een causaal verband tussen de arbeidsomstandigheden en de arbeidsongeschiktheid niet geheel valt uit te sluiten, is het aantonen van een dergelijk verband dermate gecompliceerd, dat een ontbindingsprocedure zich daar niet voor leent. De kantonrechter zal derhalve bij het vaststellen van de vergoeding de arbeidsongeschiktheid buiten beschouwing laten, zodat de werknemer de schade ten gevolge van de arbeidsongeschiktheid in een aparte procedure aan de orde kan stellen. De verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad (26-06-1999, Driessen/Boulidam, RvdW 1999, 107, JAR 1999, 149, NJ 1999, 601, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1999, blz. 171) gaat niet op, omdat daar geen sprake was van een complicerende factor (ziekenhuisopname) en de werknemer bovendien ruim twee keer zo lang in dienst was. Aangezien de werkgever zonder meer de mogelijkheid had het dienstverband met toestemming van de RDA op te zeggen, houdt de kantonrechter de opzegtermijn aan als maatstaf voor de vergoeding. Hoewel de werkgever na twee jaar ziekte niet langer de WAO-uitkering behoeft aan te vullen, acht de kantonrechter het redelijk, gezien de duur van het dienstverband en het feit dat de werknemer tot volle tevredenheid heeft gefunctioneerd, dat de werkgever de WAO-uitkering gedurende de opzegtermijn (22 weken) aanvult. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst met een vergoeding van NLG 8.000,-- bruto.

Terug naar overzicht