Kantonrechter Utrecht 30-06-1999 (Staal), JAR 2000, 55


Provisie; (benadeling). OR-lid. Competentie. Auto. Ziekte. Onkosten.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 55.

Een volledig arbeidsongeschikte inspecteur levensverzekeringen (11 jaar in dienst), vordert onder andere achterstallig loon (provisie) van NLG 497.537,60 bruto vermeerderd met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging. Het loon van de werknemer bestaat uit een vast en variabel deel. Het variabel deel is de provisie die afhankelijk is van hetgeen het door de inspecteur onderhouden netwerk aan tussenpersonen aan contracten met de verzekeringsmaatschappij afsloot. De werknemer is voorzitter geweest van de ondernemingsraad en stelt dat hij tijdens zijn OR-werk minder provisie heeft verdiend dan anders het geval zou zijn geweest. De werkgever had zijns inziens een faciliteitenregeling moeten treffen ter compensatie van de gederfde provisie. De kantonrechter is van oordeel dat uit art. 17 lid 3, art. 18 lid 1 en lid 2 WOR (loondoorbetaling voor vergaderen in werktijd en bij scholing) niet volgt dat tot het door de werkgever te garanderen loon ook het variabele gedeelte behoort. Ook is niet gezegd dat de tijdsbesteding ten behoeve van het OR-werk tot evenredig verlies aan omzet en dus provisie moest lijden. De werknemer heeft over een dergelijk verband te weinig concrete feiten gesteld. Dit geldt te meer daar de werknemer voor zijn provisie afhankelijk was van prestaties van anderen en het onderhouden van een netwerk. Vast staat dat de werkgever geen faciliteitenregeling heeft afgesproken met de OR. De werkgever was dit ook niet verplicht. Dit sluit echter niet uit dat er redelijkerwijs gronden kunnen zijn op grond waarvan de werkgever achteraf verplicht is de werknemer te compenseren voor de inkomensachteruitgang waarvan niet gesteld kan worden dat deze geen enkel verband houdt met de tijd besteed aan de OR-werkzaamheden. De vordering van de werknemer had echter in verband met het bepaalde in art. 36 lid 3 WOR schriftelijk moeten worden voorgelegd aan de bedrijfscommissie en de kantonrechter verklaart de werknemer dientengevolge niet-ontvankelijk. De vordering van de werknemer tot schadevergoeding wegens het innemen van de auto tijdens ziekte (waarop de werkgever op grond van de ontbinding gerechtigd was) wordt door de kantonrechter afgewezen nu het innemen van de auto en het niet compenseren van het verlies van het privé gebruik (in casu na 11/2 jaar ziekte terwijl dit volgens de regeling al na 5 maanden kon) niet onredelijk was. Dat gold ook voor het staken van de telefoon- en vaste onkostenvergoeding.

Terug naar overzicht