Kantoorgebouw was ten tijde van verkrijging nog niet tot woning bestemd: naheffing en boete terecht


Samenvatting

Belanghebbende is een beleggingsmaatschappij in onroerende zaken. A is haar enige bestuurder. Belanghebbende heeft op 8 juli 2013 een onroerende zaak (erfpacht met betrekking tot een appartementsrecht) gekocht voor € 2.300.000. De juridische levering heeft op 1 augustus 2013 plaatsgevonden. De notaris heeft overdrachtsbelasting voldaan naar het tarief van 2% voor woningen. De gemeente was in februari 2013 akkoord gegaan met wijziging van het gebruik van de onroerende zaak van kantoorruimte in woonruimte. Er is een omgevingsvergunning afgegeven voor verbouw van de onroerende zaak van kantoorpand tot een pand met kamerverhuur. Vanaf 16 november 2013 zijn er kamers verhuurd. Volgens de inspecteur is ten onrechte het tarief van 2% voor woningen toegepast. Hij heeft overdrachtsbelasting nageheven naar 6% en een vergrijpboete van 50% aan belanghebbende opgelegd. Volgens het hof was de grond ten tijde van de bouw van het bouwwerk bestemd voor een wijk- en winkelcentrum en is het bouwwerk gebouwd als kantoorgebouw en als zodanig in gebruik genomen. De onroerende zaak is derhalve oorspronkelijk voor ander gebruik dan bewoning ontworpen en gebouwd. Ten tijde van de verkrijging door belanghebbende was de onroerende zaak volgens het hof nog niet door verbouwing naar zijn aard tot woning bestemd. Belanghebbende heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat een dergelijke verbouwing heeft plaatsgevonden. Gelet hierop kan de onroerende zaak ten tijde van de verkrijging niet worden aangemerkt als een woning ex art. 14, lid 2, Wet BRV. De naheffingsaanslag is terecht opgelegd. Dat geldt volgens het hof ook voor de boete. A heeft de notaris namelijk bewust verkeerd geïnformeerd teneinde de notaris ervan te overtuigen dat het…

Verder lezen
Terug naar overzicht