Naar de inhoud

KB-Lux: bewijsvermoeden dat te weinig belasting is geheven, geldt voor jaren vanaf 1994

Samenvatting

Aan belanghebbende zijn over een reeks van jaren navorderingsaanslagen IB/PVV en VB met boetes opgelegd in verband met een KB-Luxrekening. Vaststaat dat belanghebbende op 31 januari 1994 een saldo aanhield bij de KB-Lux. Voor de vergrijpboete IB 1992 is Hof Den Bosch (NTFR 2012/1539) uitgegaan van een bewijsvermoeden. In HR 28 juni 2013, nr. 11/04152, NTFR 2013/1385, heeft de Hoge Raad echter geoordeeld dat bij een saldo op 31 januari 1994 voor de boete IB 1993 nog het vermoeden gerechtvaardigd is dat het beboetbare feit is gepleegd, maar dat een dergelijk bewijsvermoeden niet opgaat voor eerdere jaren. De boete voor IB 1992 dient derhalve te vervallen. Verder heeft het hof de boetes IB 1997 t/m 2000 ten onrechte vernietigd. Blijken voornoemd arrest kan voor 1995 en later jaren namelijk wel een bewijsvermoeden worden aangenomen als vaststaat dat een belanghebbende op 31 januari 1994 rekeninghouder was. Voorts acht de Hoge Raad het oordeel van het hof over de boetes VB 1994 t/m 2000 onbegrijpelijk.

Feiten

3. Beoordeling van de door belanghebbende voorgestelde middelen

3.1. Het Hof heeft op grond van de tot het dossier behorende aangiftegegevens van belanghebbende geoordeeld dat het saldo van een door belanghebbende aangehouden rekening bij de Kredietbank Luxembourg (hierna: KB-Lux), dat op 31 januari 1994 f 102.072,78 bedroeg, maximaal met f 25.000 per jaar kon toenemen door stortingen op de rekening uit besparingen, bijgeschreven beleggingsinkomsten en andere oorzaken, en dat per jaar maximaal een afname van f 25.000 als gevolg…