Kwade trouw ter zake van aftrek heffingsrente als persoonlijkeverplichtingenrente


Samenvatting

Belanghebbende, overleden in 2001, was accountant en belastingadviseur. Hij vulde zelf zijn aangifte IB 1998 in. Daarvoor maakte hij een inkomensopstelling gebaseerd op de opstelling van het voorgaande jaar. Deze inkomensopstelling heeft hij bij het aangiftebiljet gevoegd. In zijn aangifte IB 1998 heeft belanghebbende als persoonlijke verplichtingenrente een bedrag van f 497.379 aan heffingsrente en f 69.039 aan rente op een lening in aftrek gebracht. Ter toelichting is bij de aangifte een overzicht gevoegd van de vastgestelde heffingsrentebeschikkingen. Ofschoon belanghebbende zich als belastingadviseur heeft verdiept in fiscale constructies was zijn fiscaal inhoudelijke kennis niet actueel. Hij verzuimde in zijn aangifte IB 1998 het wettelijke maximum van f 15.000 voor aftrek van persoonlijke verplichtingenrente toe te passen. Na het overlijden van belanghebbende hebben de erfgenamen een vaststellingsovereenkomst gesloten met de inspecteur over de jaren 1992 tot en met 1997, waarbij onder meer de lening wordt verondersteld niet te bestaan. Bij de aanslagregeling schrapt de inspecteur daarom de renteaftrek op de lening, maar hij laat de aftrek van heffingsrente in stand. De inspecteur herstelt dit verzuim door bij navordering alsnog de aftrek van persoonlijke verplichtingenrente te beperken tot het wettelijk maximum en maakt aldus de aftrek van de resterende heffingsrente ongedaan. Volgens belanghebbende heeft de inspecteur zijn navorderingsbevoegdheid echter verspeeld. Het hof deelt die opvatting niet. Volgens het hof was belanghebbende door het bedrag van de heffingsrente volledig in aftrek te brengen te kwader trouw. De stelling dat heffingsrente bronrente zou vormen is niet pleitbaar, aldus het hof. De rente op de lening is evenmin aftrekbaar, gelet op de vaststellingsovereenkomst. Bovendien waren de erfgenamen door…

Verder lezen
Terug naar overzicht