Kwalificatie onderhanden werk voor art. 4 Wet BRV


Wet BRV

In een zaak die voorlag bij Rechtbank Haarlem had belanghebbende, A BV, investeringen gepleegd om op een perceel grond een runshopping centre te realiseren en te verkopen. Deze investeringen zijn als onderhanden werk op de balans geactiveerd. Naar de mening van de rechtbank zijn de investeringen zowel wat betreft de ontwikkelingskosten als de financieringslasten onlosmakelijk verbonden met het doel waarvoor de grond is aangekocht en dienen daarom als onroerende zaak in aanmerking te worden genomen bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een vastgoed­lichaam in de zin van art. 4 Wet BRV. Dat de investeringen op 4 november 2003 nog niet tot tastbare resultaten hebben geleid en een derde niet bereid zou zijn meer voor de grond te betalen vanwege de investeringen doet daaraan niet af. Het doel is immers die investeringen na de voltooiing van het project terug te verdienen door de verkoop ervan.

Rechtbank Haarlem 18 mei 2011, nr. 10/5972 t/m 10/5975, LJN: BQ8220

Verder lezen
Terug naar overzicht