Kwijtschelding en uitwinning pandrecht leidt niet tot toepassing art. 29 Wet OB 1968


Samenvatting

Belanghebbende heeft in 2001 goederen met omzetbelasting geleverd aan haar dochtermaatschappij Y. Het door Y verschuldigde bedrag is voor een deel in een geldlening omgezet, waarbij ter zekerheid ten behoeve van belanghebbende een pandrecht is gevestigd. Belanghebbende heeft in 2002 alle aandelen in Y verkocht. Daarbij heeft belanghebbende delen van de vordering op Y en de geldlening kwijtgescholden en is het pandrecht uitgewonnen. Belanghebbende heeft ter zake van de kwijtschelding en het uitwinnen van het pandrecht creditnota’s met omzetbelasting aan Y uitgereikt. Belanghebbende heeft die omzetbelasting op verzoek teruggekregen. Vervolgens heeft de inspecteur een naheffingsaanslag opgelegd.

Volgens de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht opgelegd. Belanghebbende heeft ten aanzien van de kwijtschelding van de vordering op Y in het verkeerde tijdvak om een teruggaaf verzocht. Verder vormt de kwijtschelding van de lening geen belaste prestatie voor de omzetbelasting, aangezien de kwijtschelding niet rechtstreeks op de vorderingen uit hoofde van de leveringen ziet. Door omzetting van de vorderingen in een lening (schuldvernieuwing) is de voor de leveringen verschuldigde vergoeding voldaan. Ook het uitwinnen van het pandrecht kan om die reden niet als een belaste prestatie voor de omzetbelasting worden aangemerkt.

(Beroep ongegrond.)

Commentaar

Belanghebbende krijgt terecht nul op het rekest in deze procedure. De koopschuld was in 2001 gedeeltelijk omgezet in een leenschuld, zodat de vergoeding voor het betreffende gedeelte van de schuld was voldaan. Voor het resterende gedeelte van de vordering was kwijtschelding verleend in maart 2002 en bestond er dus materieel recht op teruggaaf. In het tijdvak eerste kwartaal 2002 had een teruggaafverzoek moeten worden ingediend. Belanghebbende had echter geen apart teruggaafverzoek ingediend, maar het btw-bedrag…

Verder lezen
Terug naar overzicht