Landbouwstructuurvrijstelling bij voortzetting oude bedrijf gedurende één jaar


Samenvatting

Belanghebbende heeft in februari 2004 zijn melkveebedrijf te Z verkocht aan de gemeente, onder voorbehoud van een persoonlijk recht op gratis voortgezet gebruik tot uiterlijk 3 juni 2007. In juni 2005 verwerft belanghebbende een landbouwbedrijf te Q, circa 4 kilometer van zijn melkveebedrijf te Z. Voor de overdrachtsbelasting doet hij een beroep op de landbouwstructuurvrijstelling (art. 15, lid 1, onderdeel q, (oud) BRV), die echter bij naheffingsaanslag wordt teruggenomen.

Rechtbank Arnhem (NTFR 2007/459) stelt belanghebbende in het ongelijk. De verkrijging leidt immers niet tot verbetering van de landbouwstructuur, maar was slechts gericht op het verplaatsen van het agrarisch bedrijf van eiser, aldus de rechtbank. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak sprongcassatie ingesteld.

De Hoge Raad casseert de uitspraak van de rechtbank. Op grond van art. 6a, lid 1, (oud) Uitv.besl. BRV zijn enige vereisten verbonden aan de landbouwstructuurvrijstelling. In deze vereisten ligt, volgens de Hoge Raad, besloten dat de verkrijger het landbouwbedrijf dat hij ten tijde van de verkrijging had, ten minste één jaar na de verkrijging van nieuwe landerijen, als zodanig blijft gebruiken. Onder welke titel – eigendom of persoonlijk recht van gebruik – dit gebruik plaatsvindt, is daarbij niet van belang.

Nu belanghebbende heeft voldaan aan dit vereiste, wordt de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting vernietigd.

Feiten

3.1.1. Belanghebbende heeft in februari 2004 zijn melkveebedrijf te Z verkocht aan de gemeente S. Op 13 juli 2005 heeft levering plaatsgevonden. In de akte van levering heeft belanghebbende een persoonlijk recht op voortgezet gebruik om niet tot uiterlijk 3 juni 2007 bedongen…

Verder lezen
Terug naar overzicht