Na verwijzing: geen vaststellingsovereenkomst die beroep op nieuw feit verhindert


Samenvatting

Deze procedure betreft de verwijzingszaak van HR 6 november 2015, nr. 14/02920, NTFR 2015/2968.

In haar aangifte VPB 2000 heeft belanghebbende een HIR gevormd. Bij het opleggen van de aanslag VPB 2000 heeft de inspecteur de HIR gecorrigeerd. Belanghebbende heeft tegen deze aanslag bezwaar gemaakt. Tijdens het hoorgesprek op 12 oktober 2005 heeft belanghebbende het standpunt ingenomen dat de HIR in 2000 terecht is gevormd, maar dat deze moet vrijvallen in 2004 omdat niet uiterlijk in dat jaar is geherinvesteerd. In oktober 2006 heeft de inspecteur ambtshalve de aanslag VPB 2004 opgelegd zonder rekening te houden met de vrijval van de HIR. Bij uitspraak van 9 september 2008 komt de inspecteur tegemoet aan het bezwaar van belanghebbende met betrekking tot de VPB 2000 en accepteert alsnog de HIR. Eind 2008 legt de inspecteur de onderhavige navorderingsaanslag VPB 2004 op waarbij de vrijval van de HIR tot de winst is gerekend. In geschil is of de inspecteur beschikt over een navordering rechtvaardigend nieuw feit. De Hoge Raad heeft deze vraag ontkennend beantwoord. De inspecteur is er tijdens het hoorgesprek van 12 oktober 2005, dus vóór het vaststellen van de aanslag VPB 2004, namelijk al mee bekend geworden dat, in overeenstemming met het standpunt van belanghebbende, de HIR in 2004 zou dienen vrij te vallen. De inspecteur beschikt derhalve niet over een nieuw feit. De Hoge Raad heeft de zaak verwezen naar Hof Arnhem-Leeuwarden voor een onderzoek naar de vraag of tussen partijen een vaststellingsovereenkomst is gesloten op grond waarvan belanghebbende zich niet op het ontbreken van een nieuw feit zou mogen beroepen. Het verwijzingshof beantwoordt die vraag ontkennend…

Verder lezen
Terug naar overzicht