Na verwijzing: inspecteur maakt aanvang beroepstermijn niet aannemelijk


Samenvatting

Belanghebbende heeft bij een op 23 maart 2005 ingekomen stuk bij Rechtbank Haarlem beroep ingesteld tegen een uitspraak van de inspecteur van 4 februari 2005. Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard. In verzet heeft belanghebbende gesteld dat zij de bestreden uitspraak op 8 februari heeft ontvangen en dat deze dus op 7 februari is verzonden. De inspecteur heeft gesteld dat de uitspraak is verzonden op 4 februari. In cassatie heeft de Hoge Raad (NTFR 2007/120) geoordeeld dat de inspecteur de bewijslast draagt van feiten die bepalend zijn voor het aanvangstijdstip van de beroepstermijn. Indien een belanghebbende gemotiveerd betwist dat een uitspraak is verzonden uiterlijk op de dag van dagtekening, ligt de bewijslast van het tegendeel bij de inspecteur. De rechtbank heeft dit óf miskend, óf gemeend dat de betwisting door belanghebbende onvoldoende gemotiveerd was. In dat geval is haar oordeel onbegrijpelijk.

Rechtbank Den Haag heeft thans beslist, uitgaande van het door beide partijen als vaststaand beschouwde uitgangspunt dat vrijwel alle post (95%) de dag na terpostbezorging wordt bezorgd, er geen reden is aan de onderbouwing van de stelling van de verweerder meer gewicht toe te kennen dan aan de betwisting daarvan door eiseres. Daarom dient ervan te worden uitgegaan dat de uitspraak op bezwaar eerst op 7 februari 2005 is verzonden.

(Verzet gegrond.)

Verder lezen
Terug naar overzicht