Nadere conclusie in zaak Renneberg


Samenvatting

Nadere conclusie in de zaak Renneberg (HvJ EG 16 oktober 2008, zaak C-527/06, NTFR 2008/2144).

Belanghebbende woont in België en verdient zijn volledige arbeidsinkomen in Nederland. Hij wil de hypotheekrente van zijn Belgische eigen woning aftrekken van het binnenlandse arbeidsinkomen. In België is hypotheekrente niet aftrekbaar van actief inkomen. Bij belastingverdrag is de heffingsbevoegdheid ter zake van de woning toegedeeld aan België. Naar aanleiding van vragen van de Hoge Raad (NTFR 2007/40) oordeelde het Hof van Justitie EG dat art. 39 EG-Verdrag zich verzet tegen het uitsluiten van de negatieve inkomsten uit buitenlandse eigen woning uit de Nederlandse heffingsgrondslag.

In deze nadere conclusie stelt A-G Wattel dat het Hof van Justitie EG zijn antwoord heeft gebaseerd op de onjuiste veronderstelling dat Nederland bij niet-inwoners – Schumacker-achtig of niet – ondanks de bij belastingverdrag overeengekomen heffingsverdeling, eenzijdig onbeperkte belastingjurisdictie zou kunnen uitoefenen en dus zijn inhaalregeling ter zake van eerder afgetrokken buitenlandse verliezen ook toe kan passen op belanghebbende. Belanghebbende verkeert volgens A-G Wattel in dat opzicht echter niet in dezelfde positie als de onbeperkt belastingplichtigen waarmee het Hof van Justitie EG hem gelijk stelt. De verwerping door het Hof van Justitie EG van de twee door de Nederlandse regering aangevoerde objectieve verschillen/rechtvaardigingsgronden (evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid en gevaar van dubbele verliesverrekening) hangt daardoor in de lucht. Uiteindelijk wordt ook bij inwoners, door toepassing van de inhaalregeling, aftrek van het buitenlandse vastgoedverlies uitgesloten. Het verdrag geeft Nederland daartoe bij niet-inwoners niet de bevoegdheid, ambtenaar of niet.

De vraag is…

Verder lezen
Terug naar overzicht