Navordering mogelijk ondanks ontbreken nieuw feit en kwade trouw


Samenvatting

Belanghebbende is voor de helft eigenaar van een pand dat zij tot in 2004 ter beschikking stelt aan een maatschap. In 2004 verkoopt zij haar deel aan de maatschap. Na het opleggen van de primitieve aanslag, maar nog voordat deze belanghebbende bereikt heeft, komt de inspecteur tot de conclusie dat er nog een correctie dient plaats te vinden in verband met de terbeschikkingstelling van het pand. De inspecteur brengt belanghebbende hiervan telefonisch op de hoogte en geeft aan dat aan de primitieve aanslag geen rechten kunnen worden ontleend. Er zal een navorderingsaanslag worden opgelegd. Het hof stelt voorop dat op grond van het rechtszekerheidsbeginsel een belastingplichtige er in beginsel op kan vertrouwen dat met de oplegging van een primitieve aanslag de heffing is voltooid. De inspecteur heeft belanghebbende ervan op de hoogte gesteld dat een correctie per abuis niet in de primitieve aanslag was betrokken en dat deze alsnog zou volgen. Belanghebbende kon er daarom niet op vertrouwen dat bij het opleggen van de primitieve aanslag de heffing al was voltooid. De inspecteur heeft de navorderingsaanslag mogen opleggen.

(Hoger beroep ongegrond.)

Commentaar

Een belastingplichtige mag aan de aanslagregeling in beginsel het vertrouwen ontlenen dat daarmee zijn belastingschuld voor een jaar definitief is vastgesteld, tenzij sprake is van omstandigheden op grond van art. 16 AWR, te weten de aanwezigheid van een nieuw feit dan wel een belanghebbende die te kwader trouw is. Op basis van HR 17 oktober 1990, nr. 26.299, BNB 1991/118, kan een belastingplichtige zich niet succesvol beroepen op het vertrouwensbeginsel indien de inspecteur reeds voor of ten tijde van de uitreiking van de aanslag kenbaar heeft gemaakt…

Verder lezen
Terug naar overzicht