Navordering successierecht n.a.v. overlijden in 1982 niet mogelijk


Samenvatting

Belanghebbende, zijn echtgenote en haar drie kinderen zijn ieder voor een kwart gerechtigd tot de nalatenschap van erflater, die in 1982 is overleden. Begin 2012 meldt de echtgenote van belanghebbende aan de Belastingdienst dat erflater bij zijn overlijden beschikte over buitenlands vermogen, bestaande uit een belang in een Indonesisch concern en banktegoeden. Rechtbank Noord-Holland oordeelde dat de wetswijziging van 8 juni 1991, waarbij zowel art. 16 AWR als art. 66 SW 1956 zijn aangepast, tot gevolg heeft gehad dat de tot 1 januari 1985 geldende tekst, op grond waarvan in het geval van een onvolledige of onjuiste aangifte pas sprake is van verjaring voor het opleggen van een navorderingsaanslag na vijf jaren, te rekenen van de dag, waarop bedoelde onjuistheid of onvolledigheid ter kennis van de inspecteur is gekomen, haar betekenis heeft verloren voor gevallen als het onderhavige, waarin het overlijden plaatsvond vóór 1985. Op grond van de nieuwe tekst gaat de navorderingstermijn van twaalf jaren in na de dag van de inschrijving van de akte van overlijden in de registers van de burgerlijke stand hier te lande. De inspecteur komt tevergeefs in hoger beroep. Het hof stelt voorop dat een in werking getreden wettelijke bepaling in beginsel onmiddellijke werking heeft. Voorafgaand aan de invoering van de huidige onbeperkte navorderingstermijn per 1 januari 2012 was de bevoegdheid tot navorderen al in 1994 vervallen. Het hof wijst het verzoek van belanghebbende om schadevergoeding en integrale vergoeding van proceskosten af.

(Hoger beroep ongegrond.)

Commentaar

In deze casus speelde allereerst de vraag naar het overgangsrecht bij de toepassing van art. 66, lid 3, SW 1956. Onder verwijzing naar HR…

Verder lezen
Terug naar overzicht