NBSTRAF 2017/105, Hoge Raad 14-02-2017, ECLI:NL:HR:2017:220, 744.16 (met annotatie van mr. C. van Oort)

Inhoudsindicatie

Verkoop boek ‘Mein Kampf’, Vrijheid van meningsuiting, Ontslag van alle rechtsvervolging

Samenvatting

Op basis van de met de waardering van de concrete feitelijke omstandigheden samenhangende weging van de omstandigheden van het geval heeft het Hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting kunnen oordelen dat “geen sprake [is] van een zodanig dwingende behoefte als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van het EVRM, dat de verdachte voor het in voorraad hebben van het boek Mein Kampf in de bewezenverklaarde periode veroordeeld dient te worden”. Dat oordeel is, ondanks het antisemitische karakter van het boek, op grond van de door het Hof in aanmerking genomen overige feiten en omstandigheden en mede gelet op de context waarbinnen de gedraging van de verdachte plaatsvond, niet onbegrijpelijk.

Uitspraak

2. Bewezenverklaring en motivering van het ontslag van alle rechtsvervolging

2.1. Ten laste van de verdachte is – overeenkomstig de tenlastelegging – bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 26 oktober 2013 tot en met 14 januari 2014 te Amsterdam, anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving, exemplaren van een boek, getiteld ‘Mein Kampf’ van de auteur Adolf Hitler, waarin naar hij wist uitlatingen waren vervat, te weten vertaald in het Nederlands op pagina 334:

‘Hij is en blijft een typische parasiet, een profiteur die als een schadelijke bacil zich steeds verder verspreidt, zodra er een gunstige voedingsbodem toe uitnodigt. Het gevolg van zijn bestaan echter lijkt eveneens op dat van een parasiet: waar hij optreedt, sterft na korte of langere tijd de waardplant af.’

en op pagina 339:

‘Zijn bloedzuigende tirannie wordt zo groot, dat het tot ongeregeldheden tegen hem komt. Men begint de vreemdeling steeds nader te bezien en ontdekt telkens meer afstotende trekken en karaktereigenschappen aan hem, totdat de tegenstelling onoverbrugbaar wordt. In tijden van bittere nood breekt woede tegen hem uit en de leeggeplunderde en te gronde gerichte massa’s gaan het recht in eigen hand nemen, om zich tegen de gesel Gods te verweren. Zij hebben hem in de loop van enige eeuwen leren kennen en ervaren alleen al zijn bestaan als even erg als de pest.’

die, naar hij wist voor een groep mensen, te weten Joden, wegens hun ras en/of hun godsdienst, beledigend zijn en die aanzetten tot haat tegen en discriminatie van Joden wegens hun ras en hun godsdienst, ter verspreiding in voorraad heeft gehad.”

2.2. Het Hof heeft de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging. Het Hof heeft daartoe het volgende overwogen:

“9. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

9.1. Overwegingen ten aanzien van artikel 10 EVRM

De vraag die het hof in dit kader allereerst zal beantwoorden is of een veroordeling van de verdachte, gelet op de omstandigheden van dit geval, in strijd is met zijn recht op vrije meningsuiting dat onder andere door artikel 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) wordt beschermd.

(...)

9.2. Inbreuk op verdachtes recht op vrije meningsuiting: aan te leggen toetsingscriterium

Naar het oordeel van het hof valt het ter verspreiding in voorraad hebben van het boek Mein Kampf door de verdachte onder de reikwijdte van het eerste lid van artikel 10 EVRM. Een daarmee in verband staande veroordeling van de verdachte zou derhalve een inbreuk op de vrijheid van meningsuiting zijn in de zin van artikel 10, tweede lid, van het EVRM.

Om te beoordelen of een inbreuk op de vrijheid van meningsuiting van de verdachte gerechtvaardigd is, dient te worden beoordeeld of de inbreuk bij wet is voorzien, daaronder begrepen de vragen of het verbod kenbaar en voorzienbaar was voor verdachte, of het verbod een legitiem doel dient en tenslotte of de inbreuk (een veroordeling) in dit geval noodzakelijk is in een democratische samenleving.

De eerste twee vragen worden door het hof bevestigend beantwoord. Artikel 137e Sr is ingevoerd bij wet in formele zin en door of namens de verdachte is niet naar voren gebracht dat hij niet van het verbod op de hoogte was of kon zijn, of de reikwijdte daarvan niet kon overzien.

Tevens is sprake van een legitiem doel van deze inbreuk, te weten de bescherming (van de rechten) van anderen, namelijk het voorkomen van haat tegen en discriminatie van Joden wegens hun ‘ras’ en hun godsdienst.

9.2.1. Is de beperking noodzakelijk in een democratische samenleving?

Voor de beantwoording van de derde vraag dient te worden beoordeeld of een inbreuk (een veroordeling) in dit geval noodzakelijk is in een democratische samenleving.

Voorop wordt gesteld dat het EVRM een reactie was op de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog waarbij miljoenen (Joodse) burgers zijn vermoord. Het verdrag is opgesteld in 1950 in navolging van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de Verenigde Naties (UVRM) uit 1948, waarin de vrijheid van meningsuiting wordt verkondigd als een van de hoogste idealen van iedere mens. De strekking van artikel 19 van het UVRM en van artikel 10 van het EVRM is dat ook – of beter: juist – onwelgevallige opvattingen en meningen, die kunnen shockeren, kwetsen of verontrusten, zoveel mogelijk in de openbaarheid thuishoren. Zo kan (potentieel) onrecht in een vroeg stadium aan het licht komen, en wordt een goed geïnformeerd en kritisch openbaar debat daarover bevorderd en kan de samenleving zich effectief verweren tegen onrecht.

In het belang van een democratische rechtsstaat moet daarom zeer omzichtig worden omgegaan met het verbieden van meningsuitingen. De lat wordt door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) hoog gelegd. Een beperking van het recht op vrije meningsuiting moet beantwoorden aan een dwingende maatschappelijke behoefte (een pressing social need) en evenredig zijn aan het beoogde doel.

In het algemeen moet voorkomen worden dat de vervolging van meningsuitingen leidt tot een chilling effect en bijdraagt aan een sfeer van maatschappelijke onverdraagzaamheid en aldus juist het tegenovergestelde bewerkstelligt van wat met het grondrecht van vrije meningsuiting beoogd wordt.

9.2.2. Toepassing van deze uitgangspunten op het onderhavige geval

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat Mein Kampf binnen het kader van antisemitisme en de bestrijding daarvan in het maatschappelijk debat, gezien inhoud en symboolwerking van het boek, een belangrijke rol speelt als een van de historische bronnen van het antisemitische gedachtengoed. Een restrictie op het verspreiden van het boek moet ingevolge de jurisprudentie van het EHRM daarom aan hoge eisen voldoen.

Met een scherpe blik op het voorafgaande dient te worden beoordeeld of in dit geval sprake is van een zodanig dwingende maatschappelijke behoefte dat verdachte (reeds) wordt veroordeeld voor het in voorraad hebben van het boek Mein Kampf van de auteur Adolf Hitler. Die vraag wordt met de rechtbank ontkennend beantwoord.

Daarvoor is redengevend dat een veroordeling van verdachte voor het in voorraad hebben van enkele antiquarische exemplaren onevenredig is in verband met het te beschermen doel van de beperking van het grondrecht van vrije meningsuiting. Daarbij heeft het hof als bijzondere omstandigheden van dit geval in aanmerking genomen dat de exemplaren van Mein Kampf die verdachte in voorraad had in zijn antiquariaat louter originele exemplaren uit de jaren ’30 van de vorige eeuw betroffen, waarvan verdachte – desgevraagd in hoger beroep – heeft verklaard dat hij deze exemplaren slechts met het oog op de historische betekenis ter verspreiding in voorraad had en niet met het oog op de gewraakte passages van het werk. De verdachte verkoopt deze boeken aan belangstellenden voor historische exemplaren en niet gebleken is dat de verdachte het nazistische gedachtengoed aanhangt of propageert.

Hierbij is mede bepalend – maar niet doorslaggevend – dat de tekst van het boek Mein Kampf in bibliotheken en op internet reeds vrijelijk beschikbaar is en dat reeds geruime tijd in binnen- en buitenland, met het oog op het belang van de vrije meningsuiting, het debat wordt gevoerd over de (wijze van) (vrije) verkoop en verspreiding van het boek Mein Kampf.

Bij deze stand van zaken is geen sprake van een zodanig dwingende behoefte als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van het EVRM, dat de verdachte voor het in voorraad hebben van het boek Mein Kampf in de bewezenverklaarde periode veroordeeld dient te worden.

Hieruit volgt dat artikel 137e Sr, in verband met het bepaalde in artikel 94 van de Grondwet, buiten toepassing dient te worden gelaten nu toepassing daarvan in dit geval niet verenigbaar is met artikel 10 van het EVRM.

Het voorgaande brengt mee dat het bewezen verklaarde feit reeds om die reden niet strafbaar is en dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Aan een bespreking van hetgeen overigens omtrent de strafbaarheid van het bewezenverklaarde is aangevoerd komt het hof derhalve niet toe.”

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel komt op tegen het door het Hof gegeven ontslag van alle rechtsvervolging en klaagt in het bijzonder over de juistheid en de begrijpelijkheid van het oordeel van het Hof dat niet sprake is van een zodanig dringende maatschappelijke noodzaak als bedoeld in art. 10 lid 2 EVRM dat de verdachte veroordeeld dient te worden voor handelen in strijd met art. 137e lid 1 Sr wegens het ter verspreiding in voorraad hebben van het boek Mein Kampf.

3.2. Art. 10 EVRM luidt in de Nederlandse vertaling:

“1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio- omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.

2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.”

Art. 17 EVRM luidt in de Nederlandse vertaling:

“Geen der bepalingen van dit Verdrag mag worden uitgelegd als zou zij voor een Staat, een groep of een persoon een recht inhouden enige activiteit aan de dag te leggen of enige daad te verrichten met als doel de rechten of vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld teniet te doen of deze verdergaand te beperken dan bij dit Verdrag is voorzien.”

Art. 137e lid 1 Sr luidt:

“Hij die, anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving:

1°. een uitlating openbaar maakt die, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, voor een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap beledigend is, of aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap;

2°. een voorwerp waarin, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, zulk een uitlating is vervat, aan iemand, anders dan op diens verzoek, doet toekomen, dan wel verspreidt of ter openbaarmaking van die uitlating of verspreiding in voorraad heeft;

wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.”

3.3. De vrijheid van meningsuiting is een van de pijlers van een democratische samenleving en een van de voorwaarden voor de ontwikkeling daarvan alsmede voor de zelfontplooiing van ieder individu. Het recht op vrijheid van meningsuiting – dat niet alleen het recht garandeert op het verstrekken van informatie, maar ook het recht van het publiek omvat informatie te ontvangen – is evenwel niet onbegrensd. In het EVRM is de begrenzing daarvan in het bijzonder geregeld in het tweede lid van art. 10 EVRM.

De daar bedoelde bij de wet voorziene beperkingen zijn naar Nederlands recht onder meer neergelegd in de art. 137c tot en met 137g Sr, die zien op strafbaarstelling van belediging, discriminatie, het aanzetten tot geweld en haat van mensen wegens hun ras, hun godsdienst, hun levensovertuiging, hun geslacht, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, welke strafbaarstellingen zijn opgenomen in het hoofdstuk “misdrijven tegen de openbare orde” van het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht.

3.4. Het Hof heeft in de onderhavige zaak bewezenverklaard dat de verdachte heeft gehandeld in strijd met art. 137e Sr. Bewezenverklaard is dat de verdachte exemplaren van ‘Mein Kampf’ ter verspreiding in voorraad had waarin naar hij wist uitlatingen staan die voor Joden beledigend zijn en die aanzetten tot haat en discriminatie van Joden. Die bewezenverklaring staat in cassatie niet ter discussie.

3.5. Het gaat in cassatie alleen om de uit art. 10 lid 2 EVRM voortvloeiende vervolgvraag of in het onderhavige geval een in de wet voorziene beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting door de verdachte ter zake van deze bewezenverklaring te veroordelen “in een democratische samenleving noodzakelijk” is. Bij de beoordeling van deze noodzaak om in te grijpen in de vrijheid van meningsuiting zijn de bijzondere omstandigheden van het geval van belang. Bij die beoordeling kan gewicht worden toegekend aan de wisselwerking tussen de aard van de uitlating of informatie en het mogelijke effect dat die uitlating of informatie sorteert alsmede aan de context waarbinnen zo een uitlating is gedaan of informatie is verstrekt (EHRM 15 oktober 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:1015JUD002751008, Perincek v. Switzerland [GC], para 220).

Uitlatingen of andere informatieverstrekkingen gericht tegen de aan het EVRM ten grondslag liggende waarden kunnen overigens, bij wijze van uitzondering en in extreme gevallen, de bescherming van art. 10 EVRM ontberen op grond van art. 17 EVRM.

3.6. Het Hof heeft geoordeeld dat een veroordeling van de verdachte voor het ter verspreiding in voorraad hebben van enkele antiquarische exemplaren niet noodzakelijk is in de in art. 10 lid 2 EVRM bedoelde zin, omdat zo een veroordeling onevenredig zou zijn in verband met het te beschermen doel van de beperking van het grondrecht van vrije meningsuiting.

Daarbij heeft het Hof vooropgesteld dat het boek Mein Kampf in het kader van het maatschappelijk debat over antisemitisme en de bestrijding daarvan, gezien de inhoud en symboolwerking van het boek, van belang is als een van de historische bronnen van het antisemitische gedachtegoed. Voorts heeft het Hof – kort gezegd – in aanmerking genomen dat het ging om enkele, louter originele exemplaren uit de jaren dertig van de vorige eeuw, dat de verdachte heeft verklaard dat hij deze exemplaren slechts met het oog op de historische betekenis ter verspreiding in voorraad had en deze verkoopt aan belangstellenden voor historische exemplaren. Het Hof heeft in dit verband ook vastgesteld dat niet is gebleken dat de verdachte het nazistische gedachtegoed aanhangt of propageert. Daarnaast heeft het Hof geconstateerd dat de tekst van het boek Mein Kampf in bibliotheken en op internet reeds vrijelijk beschikbaar is en dat al geruime tijd in binnen- en buitenland, met het oog op het belang van de vrije meningsuiting, het debat wordt gevoerd over de (wijze van) (vrije) verkoop en verspreiding van het boek.

3.7. Op basis van deze – met de waardering van de concrete feitelijke omstandigheden samenhangende – weging van de omstandigheden van het geval heeft het Hof tegen de achtergrond van hetgeen in 3.5 is vooropgesteld zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting kunnen oordelen dat “geen sprake [is] van een zodanig dwingende behoefte als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van het EVRM, dat de verdachte voor het in voorraad hebben van het boek Mein Kampf in de bewezenverklaarde periode veroordeeld dient te worden”. Dat oordeel is, ondanks het antisemitische karakter van het boek, op grond van de door het Hof in aanmerking genomen overige feiten en omstandigheden en mede gelet op de context waarbinnen de gedraging van de verdachte plaatsvond, niet onbegrijpelijk.

3.8. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Noot

1. Het is in Nederland niet verboden Mein Kampf in bezit te hebben voor eigen gebruik, maar het is wel verboden Mein Kampf te verspreiden en verkopen. Dit verbod staat niet letterlijk in de wet. Het vloeit voort uit artikel 137e Sr: het algemene verbod op discriminatie, belediging en aanzetten tot haat en geweld jegens een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap. In artikel 137e Sr is een uitzondering opgenomen voor zakelijke berichtgeving. Deze uitzondering ziet op wetenschappelijke en journalistieke publicaties teneinde te voorkomen dat de vrijheid van voorlichting wordt beknot.

2. Op 12 mei 1987 heeft de Hoge Raad een belangrijk arrest gewezen over Mein Kampf. De Hoge Raad oordeelde dat, voor toepassing van artikel 137e Sr, de intrinsieke kwaadwillige strekking van Mein Kampf volstaat en dat de bedoelingen van de verdachte irrelevant zijn, net als de wijze van aanprijzing: “Voor het begaan van het in artikel 137e Sr omschreven feit is weliswaar vereist dat wordt gehandeld anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving, maar is niet nodig dat het voorwerp waarin een in die bepaling bedoelde uitlating is vervat op provocerende of aanstootgevende wijze wordt aangeboden, of dat blijkt van enig motief van politieke of discriminatoire aard bij de dader.” (HR 12 mei 1987, NJ 1988, 299, m.nt. Melai). Latere rechtspraak ligt in dezelfde, strenge lijn. Zo oordeelde het Hof Amsterdam op 20 april 2000, dat een marktkoopman die één exemplaar van Mein Kampf in zijn kraampje op het Waterlooplein had aangeboden, schuldig was aan het verspreiden van een boek dat aanzet tot Jodenhaat.

3. Door de zaak tegen galeriehouder Van Eyck is de discussie over Mein Kampf weer opgelaaid. Van Eyck bood Mein Kampf te koop aan in zijn antiquariaat in Amsterdam, The Totalitarian Art Gallery. Het ging om exemplaren uit de jaren dertig van zowel de Duitse tekst als de Nederlandse vertaling. De boeken stonden zichtbaar op de plank, zij het niet in de etalage. Van Eyck gaf aan dat hij het boek niet verkocht vanuit een bepaalde ideologie: “Het is historisch materiaal dat bij mijn collectie past”.

4. Het Hof Amsterdam verwijst naar de intrinsieke kwaadwilligheid van Mein Kampf en oordeelt dat Mein Kampf voor Joden beledigend is wegens hun ras en/of hun godsdienst en aanzet tot haat tegen en discriminatie van Joden wegens hun ras en/of hun godsdienst. Toch komt het hof niet tot een veroordeling. Van Eyck wordt ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat artikel 137e Sr, in verband met het bepaalde in artikel 94 Grondwet, buiten toepassing dient te worden gelaten nu toepassing daarvan in dit geval onverenigbaar is met artikel 10 EVRM.

5. Volgens het hof is hier geen sprake van zakelijke berichtgeving en komt strafbaarverklaring van het bewezenverklaarde in strijd met het in artikel 10 lid 1 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting. Om te beoordelen of een inbreuk op de vrijheid van meningsuiting gerechtvaardigd is, dient te worden getoetst aan de voorwaarden van artikel 10 lid 2 EVRM, dat wil zeggen is de inbreuk bij wet voorzien, dient het verbod een legitiem doel en is de inbreuk noodzakelijk in een democratische samenleving. Artikel 137e Sr is ingevoerd bij wet in formele zin en het legitieme doel is de voorkoming van haat tegen en discriminatie van Joden wegens hun ras en hun godsdienst. Een inbreuk is in dit geval volgens het hof echter niet noodzakelijk in een democratische samenleving, omdat er geen sprake is van een dwingende maatschappelijke behoefte om het recht op vrije meningsuiting van de verdachte te beperken door hem te veroordelen voor het ter verspreiding in voorraad hebben van Mein Kampf.

6. Daaraan heeft het hof ten grondslag gelegd dat de verdachte louter originele exemplaren van Mein Kampf uit de jaren dertig in voorraad had, slechts met het oog op de historische waarde daarvan en niet met het oog op verspreiding van in de bewezenverklaring opgenomen passages. De verdachte verkoopt aan mensen die belangstelling hebben in historische exemplaren en niet is gebleken dat de verdachte nazistisch gedachtegoed aanhangt of propageert. Daarbij heeft het hof voorts meegewogen dat de tekst van Mein Kampf vrijelijk beschikbaar is in bibliotheken of is te raadplegen via internet, alsook dat de vrije verspreiding van het boek reeds geruime tijd voorwerp van debat vormt in binnen- en buitenland (Hof Amsterdam 1 februari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:299). De door het hof genoemde factoren moeten in onderling verband en samenhang worden bezien.

7. De Hoge Raad casseert niet. Het hof heeft, zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, kunnen oordelen dat geen sprake is van een zodanig dwingende behoefte als bedoeld in artikel 10 lid 2 EVRM, dat de verdachte voor het in voorraad hebben van Mein Kampf veroordeeld dient te worden. Dat oordeel is, ondanks het antisemitische karakter van het boek, op grond van de door het hof in aanmerking genomen feiten en omstandigheden en mede gelet op de context waarbinnen de gedraging van de verdachte plaatsvond, niet onbegrijpelijk (HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:220). Qua uitleg van artikel 137e Sr verhoudt dit arrest zich tot de eerdere rechtspraak. Het is de ontsnappingsroute van artikel 10 EVRM die anders wordt uitgelegd.

8. Juist waar het om de verspreiding van antisemitische, nazistische of Holocaust-rechtvaardigende uitingen of teksten gaat, gunt het Europees Hof verdragsstaten bijzonder veel ruimte om naar eigen inzicht te sanctioneren. Zie onder EHRM 24 juni 2003, Garaudy vs. Frankrijk en EHRM 1 februari 2000, Schimanek vs. Oostenrijk. Die ruimte is in de zaak Van Eyck in het voordeel van de verdachte benut. Ik benadruk dat de zaak Van Eyck niet gaat over het toelaten van de verkoop van Mein Kampf in het algemeen. Er is immers niet geoordeeld dat artikel 137e Sr gelet op artikel 10 EVRM onverbindend moet worden verklaard, maar dat artikel 137e Sr in dit concrete geval wegens strijd met artikel 10 EVRM buiten toepassing moet worden gelaten. Onder andere omstandigheden kan bij het ter verspreiding in voorraad hebben van Mein Kampf een veroordeling wél noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. Denk bijvoorbeeld aan de verkoop van Mein Kampf door een politiek georiënteerde beweging.

mr. C. van Oort

Verder lezen
Terug naar overzicht