NBSTRAF 2017/111, Hoge Raad 28-02-2017, ECLI:NL:HR:2017:334, 5678.15

Inhoudsindicatie

Medeplegen, Bedreiging, Geweld, Opzet

Samenvatting

Falende bewijsklachten medeplegen poging afpersing en opzet gericht op het dwingen tot afgifte.

Uitspraak

2. Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard:

– onder 1 dat:

“hij op 27 september 2013 te Schiedam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld Q te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag toebehorende aan voornoemde Q, met zijn mededader

– naar de woning van die Q is gegaan en

– de woning van die Q heeft doorzocht en

– die Q tegen het lichaam heeft geslagen en geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

– onder 3 dat:

“hij op 30 september 2013 te Delft ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld Q te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag toebehorende aan voornoemde Q , met zijn mededaders

– samen met zijn, verdachtes medeverdachten rondom die Q aan een tafel is gaan zitten en

– die Q tegen het lichaam heeft geslagen en

– (daarbij) die Q dreigend de woorden heeft toegevoegd ‘ik ben klaar met jou’, althans woorden van gelijke aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

[...]

2.2.2. Het Hof heeft ten aanzien van de bewijsvoering van het onder 1 tenlastegelegde voorts – voor zover in cassatie van belang – het volgende overwogen:

“Het hof overweegt (...) dat uit de whatsapp-berichten tussen betrokkene X en Q na het incident van 27 september 2013 kan worden afgeleid dat gedurende het incident sprake is geweest van geweld. Immers, Q reageert, na een voorstel van X om bij haar thuis af te spreken met: ‘Daar heb ik geen goed gevoel bij. Dat snap je wel denk. Ik wil afspreken op neutraal terrein in een openbare ruimte.’ En even later: ‘Wil alleen zeker weten dat het nu bij praten blijft en wil dat we tot een oplossing komen.’ Waarop X zonder enige verbazing over die opmerking antwoordt: ‘Jij kan ook iemand meenemen (...)’ en, nadat Q heeft geantwoord met ‘Nee (...). Wil alleen zeker weten dat het nu bij praten blijft’, schrijft: ‘Het blijft zeker bij praten.’ De suggestie van de raadsman dat de opmerking van Q zou doelen op het eerdere verscheuren van boeken van Q door de verdachte, schuift het hof als niet aannemelijk terzijde. Daarnaast neemt het hof in aanmerking de verklaringen van de verdachte en zijn medeverdachte ter terechtzitting in hoger beroep, inhoudende dat zij zich kunnen voorstellen dat Q zich door hun komst geïntimideerd voelde en enige druk ervoer. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat er voldoende bewijs bestaat dat er sprake is geweest van geweld en bedreiging met geweld door de verdachte en zijn medeverdachte jegens Q.”

3. Beoordeling van het bij schriftuur voorgestelde middel

3.1. Het middel klaagt ten eerste dat de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde ten aanzien van het medeplegen niet toereikend is gemotiveerd.

3.2.1. Blijkens de bewijsvoering heeft het Hof onder meer vastgesteld dat

– de verdachte in de vroege ochtend van 27 september 2013 samen met zijn mededader Y naar de woning van Q is gereden en dat zij aldaar hard op de voordeur hebben geklopt,

– de verdachte en Y breed stonden, streng keken en heel intimiderend overkwamen Q de deur opende,

– de verdachte en Y aangaven dat zij wilden praten over X en dat een bedrag betaald moest worden aan die X,

– de verdachte en Y de woning van Q hebben doorzocht, waarbij de verdachte een paar boeken heeft vernield en Y wat spullen heeft meegenomen,

– Q tijdens het gesprek verschillende malen met volle kracht tegen het lichaam is geslagen, gestompt en geschopt,

– Q later die dag aan collega’s heeft verteld dat twee mannen bij hem waren geweest die hem hadden bedreigd en zijn huis hadden doorzocht en dat hij was geschopt en geslagen,

– de verdachte zich kan voorstellen dat Q angstig is geweest.

3.2.2. In aanmerking genomen hetgeen het Hof, zoals hiervoor onder 3.2.1 is weergegeven, heeft vastgesteld en mede gelet op de bedreigende aard van het bewezenverklaarde feit, is het oordeel dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met een ander heeft schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing, niet onbegrijpelijk (vgl. HR 5 juli 2016, ECLI:NL: HR:2016:1322, NJ 2016/419).

3.2.3. De klacht faalt.

3.3. Het middel klaagt voorts dat de bewezenverklaring onder 3 ten aanzien van het opzet niet toereikend is gemotiveerd.

3.4.1. Gelet op de hiervoor onder 2.2.1 weergegeven bewijsvoering, is het oordeel van het Hof dat het opzet van de verdachte erop was gericht Q dwingen tot de afgifte van een geldbedrag zoals is bewezenverklaard, toereikend gemotiveerd.

3.4.2. De klacht faalt.

Terug naar overzicht